De verhalenspin

Er leeft een spin in mijn hoofd. Zoals alle spinnen weeft mijn spin webben. Maar het zijn geen gewone webben: mijn spin weeft verhalenwebben. Draadje per draadje, zin per zin. Ideeën die door mijn hoofd waaien blijven kleven en vallen ten prooi aan de spin, die ze lustig in haar web verweeft. Sommige webben zijn heel klein, bestaan uit slechts enkele draadjes. Andere nemen meer plaats in, overwoekeren mijn gedachten. Opdat het niet al te stoffig zou worden in mijn hoofd, heb ik dus besloten om de spinnenwebben uit te schrijven in de vorm van verhalen. En aangezien mijn spin voldoende voedsel nodig heeft, zijn ideeën altijd welkom, wie weet blijven ze plakken en zie je ze terug in een van de verhalen die ik post.

donderdag 14 september 2017

Het draakje dat geen vuur kon spuwen

Er was eens, lang lang geleden in een land ver van hier een klein draakje. Nu ja, klein… Voor een draak dan, want het draakje was nog altijd zo groot als een kasteel. Het leefde in de bergen en kon daar naar hartenlust spelen en vliegen en wat draken nog maar meer doen. Maar het kon geen vuur spuwen. Het probeerde wel: dan ademde het heel diep in door zijn neus en blies daarna alle lucht in één keer uit zijn mond naar buiten. Dat veroorzaakte een gigantische windhoos, die bomen ontwortelde en kilometers ver meesleurde, maar geen vuur.
Op een dag - is dat niet wanneer alle verhalen beginnen: op een dag? - besloot het draakje om zijn vertrouwde bergen te verlaten en op zoek te gaan naar zijn vuur. Alle bomen in zijn domein waren al ontworteld door zijn vergeefse pogingen om vuur te kunnen ademen en het landschap zag eruit alsof er een woest beest had huisgehouden. Wat in feite ook zo was.
Dus draaide het draakje het de rug toe en vloog het naar het zuiden. Daar was het warmer, had hij gehoord, dus daar zou er misschien wel vuur te vinden zijn. Met enkele krachtige slagen van zijn grote, groene vleugels liet hij de bergen algauw achter zich.
Hij kon natuurlijk niet eeuwig blijven vliegen: ‘s avonds landde hij om een comfortabel plekje uit te zoeken waar hij kon slapen. Hij leerde al vlug om, als er mensen aankwamen, zich plat op de grond te leggen, met zijn poten onder zich, zijn gezicht naar beneden gericht en een bolle rug op te zetten. Dan dachten de mensen dat hij een heuvel was. Meestal ontweken ze hem, omdat ze geen zin hadden in de klim, maar sommigen wandelden recht over hem heen. Als ze dan later achteromkeken, dan was de heuvel die ze beklommen hadden plots verdwenen. “We moeten al verder gegaan zijn dan we dachten,” zeiden ze dan bij zichzelf terwijl ze hun schouders ophaalden. En ze wandelden verder.
Een keer, toen het al avond werd, besloot het draakje om het er maar bij te laten voor die dag. Hij zocht een leuk plekje uit en nestelde zich tussen de natuurlijke glooiingen van het landschap in. Net toen hij al bijna sliep, voelde hij voeten van zijn linkervoorpoot over zijn schouder naar zijn rug klimmen. Ondanks de neiging om zich nog eens goed uit te rekken, deed hij zijn best om stil te blijven liggen. Lang zouden ze er niet over doen om de overkant te bereiken en verder te trekken. Toen hielden de voeten plots halt. Hij voelde dat de mensen op zijn rug wat aan het rommelen waren en vroeg zich af wat ze in godsnaam aan het doen waren. O nee, misschien hadden ze besloten om de nacht op zijn rug door te brengen! Ineens voelde hij een stekende pijn net onder zijn schouder. Door de schrik van die plotselinge pijn vergat hij om stil te zitten en schokte hij omhoog. Een schreeuw en roffelende voeten op zijn rug vertelden hem dat de mensen op de vlucht sloegen. “Een aardbeving!” riepen ze, terwijl ze zich zo snel mogelijk uit de voeten maakten. Hun tent en de piket die ze in de schouder van het draakje hadden geslagen, lieten ze achter. Het draakje wachtte tot ze uit het zicht waren, beet zijn tanden op elkaar en trok brullend van de pijn de piket uit zijn schouder, waarna hij die met tent en al wegslingerde, de mensen achterna.
Na een aantal dagen verandert het landschap onder hem terwijl hij verder vliegt. Algauw is er niets anders te zien dan een grote zandvlakte, enkel doorbroken door rotsformaties. Het is verstikkend heet. Hier moet er wel ergens vuur te vinden zijn, denkt het draakje. Dus daalt het af en maakt het een elegante landing in het zand, voor zover een draak zo groot als een kasteel elegant kan landen tenminste: het zand stuift op naar alle kanten, maar zijn vier poten staan stevig in het zand. En toen stond het draakje middenin de woestijn. Wat nu? Waar was het vuur? De lucht voelde zo heet aan, de mond van het draakje was helemaal droog. Dat was het! Misschien was het hier wel zo warm dat hij eindelijk vuur zou kunnen spuwen! Dus ademde het draakje heel diep in, tot hij dacht dat zijn longen in brand stonden en nog wat langer en daarna blies hij alle lucht in één keer naar buiten. Zand stoof op tot een heuse zandstorm, zelfs enkele kleinere rotsblokken werden de lucht in gezwierd om daarna met een grote plof terug te landen, wat alleen maar meer zand deed opwaaien. Een kwartier lang kon je geen hand voor ogen zien omdat er zoveel zand in de lucht was. Maar er was geen vuur ontstaan. Opnieuw was het draakje er niet in geslaagd om vuur te ademen.
Misschien is het hier toch nog niet warm genoeg, dacht het draakje moedeloos, want hij zweette zo hard dat het water met liters tegelijk van hem afstroomde en er tijdelijke rivieren in de woestijn ontstonden, tot het zweet werd opgeslorpt door het eeuwige zand. Dus trok het verder naar het zuiden.
Plots doemde er in de verte een stad op waar een aantal hoge torens met spitse toppen uitstaken. Eerst wilde het draakje er in een grote boog rond vliegen, maar toen zag het plots iets wat zijn aandacht trok: was dat een wolk van vuur die uit de nauwe straatjes opsteeg? En nog eens. En nog eens. Ja hoor, dat leek echt vuur te zijn! Nieuwsgierig vloog het draakje erop af. Zou er daar een andere draak zijn die hem kon leren om vuur te spuwen? Hij hoopte het zo hard! Maar toen hij boven het stadje vloog, zag hij geen draak. Hij zag enkel maar een grote groep mensen die op een afstandje in een kring stonden rond een man met een brandende fakkel in zijn hand. De man was erg gek gekleed: hij had enkel een kleurrijke broek met lange broekspijpen die in twee punten eindigden aan. Zijn bovenlichaam was ontbloot, vast om te tonen dat hij niet bang was van het vuur. Om misschien net omdat hij het zo warm had? Plots bracht de man de fakkel naar zijn mond en… hij spuwde vuur! Het draakje keek zo gefascineerd toe dat hij bijna tegen een van de torens die boven de stad uitstaken was gevlogen. Nog net op tijd wist hij hem te ontwijken, maar toch verloor hij bijna zijn evenwicht midden in de lucht. Spartelend met alle vier zijn poten wist hij uiteindelijk naast de stad neer te strijken. Zand stoof op tegen de poorten. Wat nu? Hij was veel te groot om de stad binnen te gaan en de man te zoeken. Alleen al zijn kleine teen zou klem geraken in de nauwe straatjes. Nee, hij zou moeten wachten tot de man naar buiten kwam. Jaloers keek hij over de stadsmuren heen naar de wolken van vuur die regelmatig opstegen vanop het marktplein.
De avond viel en nog steeds was de vuurspuwende man niet naar buiten gekomen. Misschien woonde hij wel in de stad en zou hij helemaal niet naar buiten komen! Verdrietig legde het draakje zijn kop op zijn voorpoten en staarde voor zich uit, de woestijn in. Zou hij ooit het geheim van het vuurspuwen leren? Intussen is het al helemaal donker geworden. De sterren schitteren helder aan de hemel. Onverwacht komt de man toch nog naar buiten. Vlug springt het draakje recht. Eerst staat de man stokstijf stil. Hij lijkt zijn ogen niet te geloven. Het gebeurt ook niet elke dag dat er een draak zo groot als een kasteel naast je staat en je probeert aan te spreken. Na een paar seconden komt hij tot zichzelf en rent hij gillend terug de stadspoorten in. Boos stampvoetend kijkt het draakje hem na. De aarde beeft. Een van de torens in de stad wankelt en valt dan om. Overal weerklinkt gegil. Oeps… Dit was nu ook weer niet de bedoeling. Er verschijnen fakkels op de stadsmuren, vastgehouden door mannen met hooivorken en rieken, die naar de draak gekatapulteerd worden. Ze willen me hier niet, denkt het draakje verdrietig. Ik kan maar beter een andere slaapplek zoeken. Alles wat ik wilde was leren vuurspuwen… Met hangende pootjes vliegt hij weg, terug naar het noorden. Hij geeft het op. Hij zal wel nooit vuur kunnen spuwen…
Twee weken later is hij terug in zijn vertrouwde bergen. Overal liggen er ontwortelde bomen en verdwaalde rotsblokken. Hij is thuis. Treurig gaat hij op een van zijn favoriete plekjes in het dal liggen. Wat nu? Met zijn kop op zijn voorpoten staart hij zonder iets te zien voor zich uit. Zelfs die man kon vuurspuwen en hij kan het niet, hij zal het nooit kunnen. Steeds opnieuw ziet hij voor zich hoe de man de fakkel naar zijn mond bracht om vervolgens het vuur uit te ademen.
Wacht eens even! De man gebruikte een fakkel. Als hij nu eens… Vlug krabbelt het draakje overeind. Hij neemt de eerste de beste boomstam die hij vindt en schraapt die krachtig langs de rotsblokken. Het hout vat vuur. Zo, een fakkel heeft hij al. Nu kan hij proberen na te bootsen wat die man deed. Gretig brengt hij de boomstam naar zijn mond en ademt diep in. Hoestend en proestend beseft hij zijn vergissing als zijn neusharen in brand schieten. Hij laat de boomstam vallen en stampt in het rond, waardoor hij gelukkig het vuur ook uittrapt voor het zich kan verspreiden. Met een tegenwoordigheid van geest die hem later zal verbazen denkt hij aan het meertje even verderop. Twee krachtige vleugelslagen later plonst hij in het water. Zijn neusharen zijn verschroeid, maar verder lijkt de schade niet zo groot te zijn.
Domkop die hij is… Wie heeft nu al ooit gehoord van een draak die zichzelf in brand steekt? Maar hij voelt aan dat hij op het goede spoor is en neemt nog een boomstam, die hij op dezelfde manier aansteekt als de eerste. Deze keer let hij goed op om eerst diep in te ademen en daarna pas het brandende uiteinde naar zijn mond te brengen. Hij opent zijn mond en blaast alle lucht eruit. Een wolk van vuur schiet weg en verschroeit al het nog levende groen in een omtrek van 50 meter.
“Hoera!” juicht het draakje. “Eindelijk! Eindelijk ben ik een echte draak, één die vuur kan spuwen!” En hij stuwt er nog een vuurwolk achteraan.