"Mama, ik wil knutselen!”
Bij het horen van die zin, schiet er van alles door mama’s hoofd. Ja! Hij gaat zichzelf even bezighouden. Hoera! Behalve dan dat ik allerlei spullen zal moeten aandragen. En dat ene vierkantje dat hij wil plakken zal wel niet recht genoeg geknipt zijn, waardoor het opnieuw moet. En dan hem tussendoor even naar het potje dragen. Een beker water brengen, waardoor ik even later sowieso al opnieuw met hem naar het potje moet. Alvast een paar spullen van de grond oprapen en terug op zijn tafeltje leggen, waar ze nog geen minuut later alweer, al dan niet per ongeluk, van gegooid worden … Rust dus. Inwendige oogrol.
Tot hij klaar is met knutselen. Dan moet mama de knoeiboel opruimen. Natuurlijk kun je je kind wel zeggen dat hij zelf moet opruimen. Maar dan blijkt maar weer eens dat het begrip ‘opruimen’ erg rekbaar is. Vaak ligt er nadien nog meer rommel dan eerst, alleen over een nog groter oppervlak. Dan kun je het dus beter meteen zelf doen. Ben jij meteen dubbel zo lang zoet als je peuter in de eerste plaats was door te knutselen. Maar als het even meezit, heb je voor die tijd toch wel zeven hemelse minuten rust.
Na twee seconden pauze, waarin al die gedachten dus door haar hoofd schoten, vraagt mama: “En wat wil je knutselen?”
“De wereld!”
“De wereld?” zucht mama. “Ok, goed hoor God, wat heb je allemaal nodig? Wat wil je dat ik uithaal?”
“Ehhhh.”
Geen idee natuurlijk. Geeft niet. Mama trekt de knutsella open en haalt er een aantal dingen uit. Die stalt ze op Gods tafeltje. “Kun je hiermee verder?”
“Ik wil ook nog tijdreizen! En toekomst voorspellen!”
“Nee, die doosjes zijn leeg. Die heb je vorige week opgebruikt, weet je nog?”
“Maar ik wil ze! Mama, mag ik tijdreizen? En toekomst voorspellen? In het doosje!!!”
Half snikkend staat God recht en loopt naar de kast. Hij wijst: “Daar! Dat doosje! Dat wil ik!”
“Ja, dat weet ik, Godje, maar het is leeg.” Zuchtend opent mama het aangewezen doosje. “Zie je, er zit niets meer in.”
God begint te huilen. “Maar ik wil tijdreizen! Ik wil tijdreizen!”
“Ja, jammer, dat gaat niet! Je wereld zal het zonder tijdreizen moeten doen.”
God huilt harder. Mama zucht harder
“O, maar kijk eens?” Mama grijpt naar ergens achter in de kast. “Ik heb hier wel nog een zon, voor wat licht. Wil je die gebruiken?”
Eensklaps stopt het gehuil. Twee handjes strekken zich uit. “Ja, ja, ik wil die! Zon voor mijn wereld!”
Tien vingertjes omklemmen gretig de zon en twee beentjes trippelen tevreden terug naar het tafeltje.
“Ga nu maar fijn knutselen,” zegt mama, terwijl ze haar boek meegritst en zo voorzichtig mogelijk richting de keuken sluipt, op zoek naar die zeven hemelse minuten rust.
Met een half oor luistert ze naar wat er in de woonkamer gebeurt. Je weet wel, om rampen te vermijden. Want je weet maar nooit.
God is nogal een kletskous en hij praat ook graag tegen zichzelf. Ook nu is hij de hele tijd binnensmonds aan het mompelen. Niet alles is begrijpelijk, maar af en toe vangt mama iets op:
“Licht … en donker. Licht … en donker.”
“En nu de hemel …”
“Water, allemaal water. Da’s zo nat! Er moet ook aarde zijn. En zaadjes. Woeffff! Er groeit een plant uit. En nog een! En nog een!”
Mama gluurt voorzichtig om het hoekje. Rondom het tafeltje liggen er overal plassen water, waar nu ook nog kluiten modder in vliegen. God zelf zal straks nieuwe kleren aan moeten. Hij is al helemaal nat en vuil. Maar hij zit nog netjes te spelen, dus mama trekt haar hoofd weer terug en richt zich weer op haar boek.
“En nu de zon!”
“Mamaaaaaaa! Mamaaaaa!”
Mama zucht en legt haar boek neer. Dat duurde lang … “Ja?” roept ze dan terug.
“Ik wil ook de maan! En de sterren!”
“Kan dat niet beleefder?” moppert mama.
“Ablief!”
Mama zucht nog eens en staat recht.
“Goed dan.” Ze loopt naar de lade, haalt er een maan en een paar sterren uit en deponeert die op Gods tafeltje.
“Hier.”
Na nog een aai over zijn bol, verdwijnt ze weer snel naar de keuken.
BOEM!
Meteen staat mama terug in de woonkamer.
“O nee!” roept God. “O nee, o nee, o nee!”
“Wat is er?”
“De maan is gevallen!”
Mama raapt de maan op.
“Er zitten allemaal builen in! O nee!”
“Het geeft niet,” troost mama. “Ze werkt nog altijd, kijk maar.” En ze plakt de maan bij het kunstwerkje dat de wereld moet voorstellen.
God is getroost. “Nu de sterren!”
“Doe jij maar, ik moet even …”
“Nee! Jij moet het doen!”
“Goed dan.” Nog een zucht. Snel plakt mama een aantal sterren aan het firmament.
“Goed zo?”
God knikt.
“Nu moeten er vissen zwemmen in de zee. En vogels in de lucht!”
“Goed goed, doe maar.”
“Nee, jij moet het doen!”
“Kun je het me voortonen?” vraagt mama slim.
“Ja!” God knikt ijverig. “Kijk, hier is een vis, die moet in de zee. En die ook. En dit is een vogel, die heeft vleugels, zie je wel? Die moet in de lucht.”
“En komen er ook dieren op de aarde?” vraagt mama.
“Ja! Tijgers en leeuwen en …”
“Koala’s?” vult mama vragend aan.
God knikt enthousiast.
“En nu nog mensen!” roept hij ten slotte uit.
“Ok, maar dat is het laatste hoor. Daarna moet je naar bed.”
“Neeeee!”
“Jawel,” zegt mama beslist, terwijl ze de ravage rond de knutseltafel in zich opneemt en verlangend naar de keukendeur staart, waar haar boek geopend op tafel ligt.
“Neeee!” Daar zijn de waterlanders weer. God is duidelijk moe. Het sterkt mama in haar beslissing.
“Ga je eerst nog de mensen doen of ga je meteen naar bed?” dreigt ze.
“Eerst de mensen,” snift God. “Zo, een man,” knutselt hij. “Die is perfect.”
“Mwa,” zegt mama. “Probeer het nog eens, ik weet zeker dat je beter kunt. Hier, begin maar met deze rib.”
God gaat aan de slag. “Zo dan?” vraagt hij.
“Een vrouw, goed zo!” prijst mama hem. “En nu is het bedtijd.”
“Maar ik wil nog meer mensen maken! En dan moet er nog …”
“Nee,” antwoordt mama beslist. “Het is goed zo. Je wereld is heel mooi. Nu is het bedtijd.”
God barst in huilen uit en gooit zich op de grond. “Ik wil niet slapen!”
Mama tilt hem zwijgend op en draagt hem naar boven, naar de badkamer.
“Mond open, we moeten tandenpoetsen.”
Maar God huilt gewoon verder. Maar een huilende mond is een open mond, dus stopt mama de tandenborstel er zo in, wat natuurlijk alleen maar meer gehuil oplevert. Na het tandenpoetsen krijgt God zijn fopspeen. Daar kalmeert hij wat van.
Dan is papa daar ook. Samen trekken ze God zijn pyjama aan. Dan leest papa God nog een verhaaltje voor en doet hij het licht uit. “Slaap lekker God, rust maar goed,” zegt hij zacht.
“Jij moet nu ook rusten! En mama ook!” klinkt het gebiedend.
“Ja ja,” antwoordt papa met een oogrol, “slaap nu maar.” En dan trekt hij de deur achter zich dicht.