De verhalenspin

Er leeft een spin in mijn hoofd. Zoals alle spinnen weeft mijn spin webben. Maar het zijn geen gewone webben: mijn spin weeft verhalenwebben. Draadje per draadje, zin per zin. Ideeën die door mijn hoofd waaien blijven kleven en vallen ten prooi aan de spin, die ze lustig in haar web verweeft. Sommige webben zijn heel klein, bestaan uit slechts enkele draadjes. Andere nemen meer plaats in, overwoekeren mijn gedachten. Opdat het niet al te stoffig zou worden in mijn hoofd, heb ik dus besloten om de spinnenwebben uit te schrijven in de vorm van verhalen. En aangezien mijn spin voldoende voedsel nodig heeft, zijn ideeën altijd welkom, wie weet blijven ze plakken en zie je ze terug in een van de verhalen die ik post.

donderdag 4 maart 2021

God is een peuter: Genesis

"Mama, ik wil knutselen!”

Bij het horen van die zin, schiet er van alles door mama’s hoofd. Ja! Hij gaat zichzelf even bezighouden. Hoera! Behalve dan dat ik allerlei spullen zal moeten aandragen. En dat ene vierkantje dat hij wil plakken zal wel niet recht genoeg geknipt zijn, waardoor het opnieuw moet. En dan hem tussendoor even naar het potje dragen. Een beker water brengen, waardoor ik even later sowieso al opnieuw met hem naar het potje moet. Alvast een paar spullen van de grond oprapen en terug op zijn tafeltje leggen, waar ze nog geen minuut later alweer, al dan niet per ongeluk, van gegooid worden … Rust dus. Inwendige oogrol.

Tot hij klaar is met knutselen. Dan moet mama de knoeiboel opruimen. Natuurlijk kun je je kind wel zeggen dat hij zelf moet opruimen. Maar dan blijkt maar weer eens dat het begrip ‘opruimen’ erg rekbaar is. Vaak ligt er nadien nog meer rommel dan eerst, alleen over een nog groter oppervlak. Dan kun je het dus beter meteen zelf doen. Ben jij meteen dubbel zo lang zoet als je peuter in de eerste plaats was door te knutselen. Maar als het even meezit, heb je voor die tijd toch wel zeven hemelse minuten rust.

Na twee seconden pauze, waarin al die gedachten dus door haar hoofd schoten, vraagt mama: “En wat wil je knutselen?”

“De wereld!”

“De wereld?” zucht mama. “Ok, goed hoor God, wat heb je allemaal nodig? Wat wil je dat ik uithaal?”

“Ehhhh.”

Geen idee natuurlijk. Geeft niet. Mama trekt de knutsella open en haalt er een aantal dingen uit. Die stalt ze op Gods tafeltje. “Kun je hiermee verder?”

“Ik wil ook nog tijdreizen! En toekomst voorspellen!”

“Nee, die doosjes zijn leeg. Die heb je vorige week opgebruikt, weet je nog?”

“Maar ik wil ze! Mama, mag ik tijdreizen? En toekomst voorspellen? In het doosje!!!”

Half snikkend staat God recht en loopt naar de kast. Hij wijst: “Daar! Dat doosje! Dat wil ik!”

“Ja, dat weet ik, Godje, maar het is leeg.” Zuchtend opent mama het aangewezen doosje. “Zie je, er zit niets meer in.”

God begint te huilen. “Maar ik wil tijdreizen! Ik wil tijdreizen!”

“Ja, jammer, dat gaat niet! Je wereld zal het zonder tijdreizen moeten doen.”

God huilt harder. Mama zucht harder

“O, maar kijk eens?” Mama grijpt naar ergens achter in de kast. “Ik heb hier wel nog een zon, voor wat licht. Wil je die gebruiken?”

Eensklaps stopt het gehuil. Twee handjes strekken zich uit. “Ja, ja, ik wil die! Zon voor mijn wereld!”

Tien vingertjes omklemmen gretig de zon en twee beentjes trippelen tevreden terug naar het tafeltje.

“Ga nu maar fijn knutselen,” zegt mama, terwijl ze haar boek meegritst en zo voorzichtig mogelijk richting de keuken sluipt, op zoek naar die zeven hemelse minuten rust.

Met een half oor luistert ze naar wat er in de woonkamer gebeurt. Je weet wel, om rampen te vermijden. Want je weet maar nooit.

God is nogal een kletskous en hij praat ook graag tegen zichzelf. Ook nu is hij de hele tijd binnensmonds aan het mompelen. Niet alles is begrijpelijk, maar af en toe vangt mama iets op:

“Licht … en donker. Licht … en donker.”

“En nu de hemel …”

“Water, allemaal water. Da’s zo nat! Er moet ook aarde zijn. En zaadjes. Woeffff! Er groeit een plant uit. En nog een! En nog een!”

Mama gluurt voorzichtig om het hoekje. Rondom het tafeltje liggen er overal plassen water, waar nu ook nog kluiten modder in vliegen. God zelf zal straks nieuwe kleren aan moeten. Hij is al helemaal nat en vuil. Maar hij zit nog netjes te spelen, dus mama trekt haar hoofd weer terug en richt zich weer op haar boek.

“En nu de zon!”

“Mamaaaaaaa! Mamaaaaa!”

Mama zucht en legt haar boek neer. Dat duurde lang … “Ja?” roept ze dan terug.

“Ik wil ook de maan! En de sterren!”

“Kan dat niet beleefder?” moppert mama.

“Ablief!”

Mama zucht nog eens en staat recht.

“Goed dan.” Ze loopt naar de lade, haalt er een maan en een paar sterren uit en deponeert die op Gods tafeltje.

“Hier.”

Na nog een aai over zijn bol, verdwijnt ze weer snel naar de keuken.

BOEM!

Meteen staat mama terug in de woonkamer.

“O nee!” roept God. “O nee, o nee, o nee!”

“Wat is er?”

“De maan is gevallen!”

Mama raapt de maan op.

“Er zitten allemaal builen in! O nee!”

“Het geeft niet,” troost mama. “Ze werkt nog altijd, kijk maar.” En ze plakt de maan bij het kunstwerkje dat de wereld moet voorstellen.

God is getroost. “Nu de sterren!”

“Doe jij maar, ik moet even …”

“Nee! Jij moet het doen!”

“Goed dan.” Nog een zucht. Snel plakt mama een aantal sterren aan het firmament.

“Goed zo?”

God knikt.

“Nu moeten er vissen zwemmen in de zee. En vogels in de lucht!”

“Goed goed, doe maar.”

“Nee, jij moet het doen!”

“Kun je het me voortonen?” vraagt mama slim.

“Ja!” God knikt ijverig. “Kijk, hier is een vis, die moet in de zee. En die ook. En dit is een vogel, die heeft vleugels, zie je wel? Die moet in de lucht.”

“En komen er ook dieren op de aarde?” vraagt mama.

“Ja! Tijgers en leeuwen en …”

“Koala’s?” vult mama vragend aan.

God knikt enthousiast.

“En nu nog mensen!” roept hij ten slotte uit.

“Ok, maar dat is het laatste hoor. Daarna moet je naar bed.”

“Neeeee!”

“Jawel,” zegt mama beslist, terwijl ze de ravage rond de knutseltafel in zich opneemt en verlangend naar de keukendeur staart, waar haar boek geopend op tafel ligt.

“Neeee!” Daar zijn de waterlanders weer. God is duidelijk moe. Het sterkt mama in haar beslissing.

“Ga je eerst nog de mensen doen of ga je meteen naar bed?” dreigt ze.

“Eerst de mensen,” snift God. “Zo, een man,” knutselt hij. “Die is perfect.”

“Mwa,” zegt mama. “Probeer het nog eens, ik weet zeker dat je beter kunt. Hier, begin maar met deze rib.”

God gaat aan de slag. “Zo dan?” vraagt hij.

“Een vrouw, goed zo!” prijst mama hem. “En nu is het bedtijd.”

“Maar ik wil nog meer mensen maken! En dan moet er nog …”

“Nee,” antwoordt mama beslist. “Het is goed zo. Je wereld is heel mooi. Nu is het bedtijd.”

God barst in huilen uit en gooit zich op de grond. “Ik wil niet slapen!”

Mama tilt hem zwijgend op en draagt hem naar boven, naar de badkamer.

“Mond open, we moeten tandenpoetsen.”

Maar God huilt gewoon verder. Maar een huilende mond is een open mond, dus stopt mama de tandenborstel er zo in, wat natuurlijk alleen maar meer gehuil oplevert. Na het tandenpoetsen krijgt God zijn fopspeen. Daar kalmeert hij wat van.

Dan is papa daar ook. Samen trekken ze God zijn pyjama aan. Dan leest papa God nog een verhaaltje voor en doet hij het licht uit. “Slaap lekker God, rust maar goed,” zegt hij zacht.

“Jij moet nu ook rusten! En mama ook!” klinkt het gebiedend.

“Ja ja,” antwoordt papa met een oogrol, “slaap nu maar.” En dan trekt hij de deur achter zich dicht.







woensdag 3 april 2019

Gedicht voor Nina

Je voeten
Stampten eerst in mijn buik
En verkennen nu de wereld.
Je handjes
Omvatten mijn vinger
En strekken zich uit naar mijn ziel.
Je lach
Tovert een glinstering in je ogen
En in de mijne.

Je gebrabbel
vult de kamer
En klinkt als muziek in mijn oren.
Je bestaan
Vult een plek in mijn hart
Waarvan ik niet wist dat die leeg was.

zaterdag 7 april 2018

Moetopia

Ze steunt haar ellebogen op het bureau en leunt met haar hoofd in haar handen. Doodmoe... Eigenlijk moet ze een verslag typen, maar dat gaat nogal moeilijk als de vermoeidheid als een betonblok in je hoofd weegt. Dan is er geen ruimte meer over voor veel gedachten of redeneringen. Onmogelijk om een verslag te typen. Toch zal het moeten. Over een uur verwacht haar baas het in zijn mailbox. Na nog even diep te hebben ingeademd heft ze haar hoofd weer op en legt ze haar handen op het toetsenbord. Dit is stap één. De volgende stap is om ook echt te beginnen typen.
Waarom moet ze zo moe zijn? In plaats van dit verslag te typen zou ze willen in opstand komen. Spandoeken schilderen, een actiegroep oprichten, de straat oprennen om te demonstreren, toeterende auto’s, gescandeerde slogans,... Jammer dat dat zoveel energie kost.
De respons kan nochtans niet uitblijven. Want wie is er nu graag moe? Niemand toch? Ze kan wel een aantal mensen bedenken die slapen leuk vinden, die in het weekend een hele dag in bed doorbrengen. Maar graag moe zijn? Echt niet! Vermoeidheid vertraagt, verlamt, remt af. Niemand wil het gevoel hebben om niet op volle capaciteit te draaien. Toch? Dus kan het niet moeilijk zijn om een actiegroep op te richten. Misschien moet ze er maar meteen een politieke partij van maken: de antivermoeidheidspartij, AVM. Klinkt niet slecht. En als hun programma erin bestaat om vermoeidheid af te schaffen, dan worden ze vast en zeker verkozen. Haar partij zal de eerste regering vormen die zich met echt nuttige zaken bezig zal houden. Geen vermoeidheid meer. Geen ziektes meer. Wel nog ziektedagen, een dagje per maand thuis bankhangen voor de tv kan deugd doen en is goed voor de gezondheid. Ziek zijn daarentegen, wel, ziek zijn is dat per definitie niet. Net integendeel. Dat zal dan ook haar eerste wet worden als ze eenmaal premier is: vermoeidheid en ziekte worden verboden! Iedereen gezond, opgewekt en klaarwakker. Dat zal ook de economie ten goede komen, want kijk haar hier nu zitten, terwijl ze haar verslag nog steeds aan het uitstellen is. Vermoeidheid is slecht voor de productiviteit. Als niemand meer moe zou zijn, zou iedereen veel productiever zijn en zouden de bedrijven meer winst maken. De economische crisis zou tot stilstand komen, er zou binnen de kortste keren een ongekende economische groei zijn, banen zouden gecreëerd worden, geen werkloosheid meer,... Niet meer moe zijn lost echt alle problemen op!
Nooit meer moe, nooit meer tijd verliezen door zoveel uren te moeten slapen. Stel je eens voor wat je dan allemaal zou kunnen doen!
"Els!" Ze schrikt op. "Hoe staat het met dat verslag?" Haar baas staat in de deuropening en hij kijkt niet blij.
"Ik ben eraan bezig." Ze wuift naar het scherm, waar toch wel de volle drie zinnen al te zien zijn.
"Zorg dat het zo snel mogelijk in mijn mailbox zit," bast de baas, waarna hij de gang weer in stampt.
Oef, die had ze niet zien komen. Ze had nog meer dan drie kwartier, maar blijkbaar had de baas niet meer zoveel geduld. Wispelturig... Vast ook te weinig geslapen vannacht, bedenkt ze met een grijns. Daarna begint ze zuchtend eindelijk te typen.

zondag 10 december 2017

Verloren vriendschappen

Buiten sneeuwt het. Verstrooid rommelt ze in de doos. Ze weet dat ze het beter niet doet, maar als ze zich melancholisch voelt, zoals nu, dan kan ze het soms toch niet laten om die doos even uit te halen. Er zitten allerlei verschillende voorwerpen in: sommige groot, de meeste klein. Eigenlijk doen de voorwerpen er niet toe, het zijn de herinneringen die eraan verbonden zijn, die belangrijk zijn. De voorwerpen op zich stellen niet veel voor.
Een oud badmintonpluimpje dat ooit wit was, maar intussen al lang grauw is verkleurd door het vele gebruik. Groene randjes aan de top verraden dat er ook mee in het gras werd gespeeld en niet enkel binnen in een sportzaal. Het donkerdere groen komt vast door de haag waar het pluimpje vaak in gemept werd. Ze hadden geen net, maar zij en Floor speelden het pluimpje zo hoog mogelijk naar elkaar over. Het was zelden windstil, dus vaak blies de wind het dan wat uit koers, waardoor het in de haag van de buurman terecht kwam. Veel pluimpjes konden ze gewoon niet terugvinden in het dichte groen, maar dit hebben ze blijkbaar kunnen redden.
Floor en zij speelden niet enkel badminton. Ze deden veel dingen samen: trampolinespringen, vogelnestjes bouwen van stro, waarna ze in de bomen klommen om die erin te zetten om de vogels te helpen, racetochtjes met de fiets, handstanden in de tuin,... De zon leek altijd te schijnen. Op een of andere manier zijn ze uit elkaar gegroeid. Ze snapt nog niet precies hoe dat ging, alleen dat hun vriendschap plots in het verleden lag.
Een vriendschapsbandje dat ze met speciale glittertouwtjes in rood, blauw en paars had gemaakt is het volgende voorwerp dat haar zoekende handen tegenkomen. Ze had het gemaakt voor Sandra, het nieuwe meisje in de klas naar wie ze erg was toegetrokken. Ze was een paar keer bij haar thuis geweest, waar een imposante piano midden in de woonkamer stond en ze hadden samen een aantal groepswerken gemaakt. Uiteindelijk had ze haar het met veel liefde gemaakte vriendschapsbandje nooit kunnen geven, want Sandra had heel plots moeten verhuizen toen haar ouders gingen scheiden. Er was geen gelegenheid meer geweest om afscheid te nemen. Ze was er kapot van geweest, maar zo'n dingen gebeurden nu eenmaal, hadden haar ouders gezegd. Niets aan te doen.
Dan is er ook nog een miniatuurversie van de toren van Pisa die ze samen met Sylvie in Italië gekocht had. Dat was in het laatste jaar van het middelbaar geweest. Nadien waren ze elk hun eigen weg gegaan. In een andere stad gaan studeren, elk andere vrienden gemaakt en elkaar uit het oog verloren. Te druk bezig met elk hun eigen leven te leiden.
Ze rommelt door de kleinere voorwerpen in de doos tot ze vindt wat ze zoekt: een kleine, fluffy, felroze sleutelhanger die ze eens van Silke voor haar verjaardag heeft gekregen. Wat is er met die vriendschap gebeurd? De ene dag was alles nog goed, waren ze samen naar een feestje geweest en de volgende hadden ze schreeuwende ruzie over wat er al dan niet gebeurd was tijdens dat feestje. Silke hield vol dat zij met haar aartsvijand nummer één had staan praten, terwijl zij had proberen uit te leggen dat ze er alleen maar langs was gelopen om naar het toilet te gaan, maar dat ze geen woord met hem had gewisseld. Een welles-nietesspelletje zonder uitzicht op enige overeenstemming. Er waren harde woorden gevallen, verwijten werden over en weer geslingerd. En toen was het voorbij. Zomaar. Had ze Silke dan zo verkeerd beoordeeld? Al die leuke momenten die ze samen gedeeld hadden, waren die een leugen geweest? Ah nee, ze moest ook niet overdrijven. Ze zou wel nooit weten waarom de boel toen zo onredelijk hard ontploft was. Ze waren vast gewoon toch twee totaal verschillende mensen gebleken, hun raakvlakken tectonische platen die een allesverwoestende aardbeving konden veroorzaken als ze te hard met elkaar in botsing kwamen.
Met een zucht stopt ze alle voorwerpen terug in de doos. Het heeft geen zin om bij deze verloren vriendschappen te blijven stilstaan. Ze legt de doos terug op de ijskoude zolder en loopt naar beneden. Straks komen Daisy en Elke langs. Dan kunnen ze samen een sneeuwman bouwen en de slappe lach krijgen om daarna binnen lekker op te warmen bij een kopje thee.

woensdag 15 november 2017

Halloween

Pieter-Jan zuchtte terwijl hij in zijn auto stapte. Het was al laat, later dan hij voorzien had. Hij kon best even bellen om te zeggen dat zijn vrienden alvast konden vertrekken en dat hij zich dan later bij hen zou aansluiten. De telefoon rinkelde een hele tijd voor hij werd opgenomen.
“Pieter-Jan! Waar zit je?” bulderde de stem van Casper in zijn oor. “Ik vond mijn telefoon bijna niet in de lakens van mijn spokenpak!” Casper was een joviale, goedlachse kerel, maar op dit moment bezorgde zijn luide stem Pieter-Jan hoofdpijn.
“Luister, ik zal wat later zijn.”
“Ah, nee toch, wat moeten we zonder ons derde musketierspook?”
“Ja, ik weet het, maar een of andere idioot snapte niet waarom we de geboortedatum op zijn identiteitskaart namen en niet de geboortedatum die hij uit zijn duim zoog. Maar dat is mijn eerste geboortedatum, het moet mijn twééde geboortedatum zijn,” zei hij in een zeurderige stem, in imitatie van de klant. Dus moest ik hem een halfuur lang proberen uit te leggen dat je maar één keer geboren kunt worden. Dat leek die oen maar niet te snappen en toen was het al lang na sluitingstijd en nu ben ik dus te laat. Maar goed, gaan jullie maar vast. Ik eet nog even iets, kleed me om en dan vind ik jullie daar wel.”
“Wat een verhaal! We zien je inderdaad daar dan wel. Hoe moeilijk kan het ook zijn om twee spoken te vinden op een halloweenfeestje?” lachte Casper, voor hij inhaakte. De echo van zijn bulderlach bleef nog een hele tijd in Pieter-Jans hoofd hangen. Eigenlijk had hij niet zoveel zin om te gaan. Het was een zware dag geweest op het werk met schijnbaar dubbel zoveel lastige klanten als anders. Hij had meer zin om rustig thuis te blijven en een horrorfilm op te zetten. Op Halloween draaiden ze er genoeg op de tv. Maar hij had beloofd om samen met Casper en Esther uit te gaan. De drie musketierspoken, oftewel drie mensen die een wit kleed over hun hoofd gooiden en met houten stokken die sabels moesten voorstellen zouden zwaaien.

Een douche en twee boterhammen met salami later ging hij op zoek naar zijn witte laken. Aangezien het een oud laken was, dat al wat grauw was geworden, had hij het gisteren nog vlug in de was gegooid. Nu haalde hij het uit de droogkast. Helaas merkte hij dat het vast niet zo slim was geweest om eerst de gaten voor de ogen erin te knippen en het  pasdaarna te wassen, want die twee kleine, ronde gaatjes waren één groot, onregelmatig gevormd gat geworden.  Hij vloekte. Dit was geen spokenkostuum meer, dit was een gerafelde doek. Niemand zou er ook maar in de verste verte een spook in zien. Wat nu? Dan toch maar zijn zware, zwarte mantel om en als vampier gaan? Het zou wel moeten, want hij had geen ander laken dat in aanmerking kwam om gepromoveerd te worden tot spokenhuid en zich niet verkleden om naar een halloweenfeestje te gaan was flauw. Hij had ook nog wel ergens een oude wandelstok van zijn grootvader liggen, met zo’n bolvormige kop, die zou zijn nieuwe kostuum vast goed aanvullen. Casper en Esther zouden de twee spokenmusketiers moeten zijn en dan zou hij wel de vampiermusketier zijn. Met zo'n wandelstok kon je trouwens ook goed in het rond zwaaien, testte hij even uit.
Even kijken, waar had hij dat adres ook alweer gelaten? Hij rommelde even tussen alle papieren die op de tafel in de woonkamer lagen, maar besloot toen dat hij het zich zo ook wel kon herinneren. Hij wist nog dat het in de Langestraat was, alleen het huisnummer wist hij niet meer zeker, maar een halloweenfeestje zou vast opvallen: hij hoefde enkel de verklede mensen te volgen.
Inderdaad bleek het niet zo moeilijk te zijn toen hij de straat eenmaal was ingereden. Voor een grote villa stonden een heel aantal auto's geparkeerd, waar heksen en weerwolven uitstapten. En zo te zien was hij bijlange na niet de enige vampier. Hij parkeerde zijn kleine autootje helemaal achteraan de oprit, waar nog een plekje vrij was. Toen hij al halverwege de oprit op weg naar het huis was, besefte hij dat hij zijn wandelstok was vergeten, dus haastte hij zich terug. Die ene minuut langer konden Casper en Esther nog wel wachten.
Eenmaal binnen keek hij zo goed en zo kwaad als het ging over de hoofden heen, op zoek naar twee witte verschijningen die zijn vrienden moesten voorstellen. Hij zag hen nergens. Hen kennende, hadden ze zich vast ergens verstopt om tevoorschijn te springen en luid "Boe!" te roepen als hij langs hen liep. Dus zuchtte hij eens diep en drong hij zich dieper het feestgewoel in.
"Glaasje kinderbloed?" kakelde een heks. "Je bent toch een vampier he?"
"Eh... Ja... Ja, ik ben een vampier," antwoordde hij, wijzend naar zijn kostuum.
"Hier." Ze duwde hem een glas in handen met daarin een rode drank die vast wijn was.
Om de heks, die hem om een of andere reden wat wantrouwig opnam, tevreden te stellen, nam hij een slokje. Meteen daarna spuugde hij het echter terug uit. Dat smaakte echt naar bloed!
"Verkeerde bloedgroep," sputterde hij, terwijl hij het glas teruggaf aan de heks en zich uit de voeten maakte. Zo realistisch hoefde het voor hem nu ook weer niet.
Nadat hij zich tussen een groepje weerwolven door had gewrongen, stond hij midden in de kamer. Zoekend keek hij om zich heen. Waar waren ze? Kon het echt zo moeilijk zijn om twee mensen in witte lakens te spotten? Blijkbaar wel in deze bonte bende... Sommige kostuums waren trouwens erg realistisch. Daar was vast veel tijd in gekropen! Bewonderend keek hij naar de tanden van een mede-vampier. Je kon eigenlijk echt niet zien dat het valse waren. De man zag hem kijken. "Mooi hé," glunderde hij ijdel. "Ik heb ze speciaal voor dit feestje laten bijslijpen. En ik was er zo tevreden over, dat ik de tandarts die het gedaan heeft maar niet heb gebeten."
"O, eh, goed van je," antwoordde Pieter-Jan ietwat ongemakkelijk. "Heb je toevallig geen twee spoken gezien?" vroeg hij hem toen.
"Spoken? Die zijn toch onzichtbaar!"
Pieter-Jan zuchtte. "Ik bedoel twee mensen, verkleed als spoken."
"Grapjas! Nu had je me bijna te pakken!" lachte hij, en na Pieter-Jan nog een klap op zijn schouder te hebben gegeven, verdween hij in de massa. Daar moest hij dus duidelijk geen hulp van verwachten. Wat een rare kwibus.
"Wil je een vingerkootje?" bood een heks hem een plateau met hapjes aan.
De "wijn" nog vers in zijn gedachten , sloeg Pieter-Jan het aanbod maar beleefd af. Alle eetlust verging hem trouwens als hij naar het dienblad keek: de koks waren zelfs realistisch genoeg geweest om geronnen bloed na te maken met kleurstof! Hij rilde. Het zou wel allemaal bij Halloween horen, maar dit feestje ging daar behoorlijk ver in. Als hij Casper en Esther gevonden had, zou hij toch voorstellen om ergens anders heen te gaan, waar ze iets behoorlijks konden eten en drinken. Maar dan moest hij hen eerst vinden. Hij kon natuurlijk proberen om hen te bellen, maar in al dit lawaai zouden ze hun telefoon toch nooit horen. En bovendien had hij die blijkbaar in de auto laten liggen, merkte hij, toen hij automatisch zijn hand naar zijn broekzak onder zijn vampierencape had laten gaan.
Nog steeds speurde hij de ruimte af, toen er plots iemand op het podium achteraan in de zaal klom.
"Welkom, lieve vrienden," klonk het door de micro kunstmatig versterkte stemgeluid. "Vanavond vieren we feest, want vanavond is de enige avond van het jaar waarop we ons niet hoeven te verbergen en we ons gewoon onder de mensen kunnen mengen. Vanavond kijkt niemand raar op als er vampiers of heksen of weerwolven in het straatbeeld te zien zijn. Toch wel attent van hen om het ons deze ene avond per jaar zo gemakkelijk te maken!" Algemeen gegrinnik volgde. "Vergeet niet om jullie stem voor 'Monster van het Jaar' in te dienen. Over een uur maken we bekend wie er zich dit jaar volgens jullie het meest verdienstelijk heeft gemaakt op vlak van kinderen angst aanjagen, mensen om zeep helpen of algemeen gruwelijkheden begaan. Het belooft opnieuw een spannende verkiezing te worden!"
Wat zei die man toch allemaal? Pieter-Jan snapte er niets van. Toen dacht hij terug aan de wijn, die zo verdacht veel naar echt bloed smaakte, naar de levensechte vingerkootjes, naar de scherpe tanden van de vampier, van wie je niet kon zien dat ze vals waren,... Bedoelde hij... Dat kon toch niet?!
In elk geval zag het er niet naar uit dat Casper en Esther hier waren. Misschien moest hij toch maar even terug naar zijn auto en hen opbellen om te vragen of hij echt wel op het juiste adres was. Want het begon er meer en meer naar uit te zien dat hij op een feestje was beland waar hij eigenlijk niet thuishoorde.
Terwijl een menigte zich om de stembus verdrong, liep Pieter-Jan zo onopvallend mogelijk richting de uitgang. Hij wilde zo weinig mogelijk de aandacht trekken.
"He, jij daar!" Het was de heks met de kakelstem van aan de ingang, die hem het glas wijn had aangeboden. "Ik heb andere bloedgroepen gehaald, wil je een glas AB positief?"
"Eh, nee, bedankt, ik moet even..." Hij zocht naar een goed excuus.
"O, ik snap het al, als de nood hoog is, dan is ze hoog," kakelde de heks. "Ik zie je straks wel, ik zal er eentje voor je opzij houden!"
"Ja, ehm, bedankt!" Zwetend liep Pieter-Jan naar de uitgang. Hij rende bijna naar zijn auto en deed de deuren van binnenuit op slot. Even op adem komen. Zijn telefoon lag op de passagiersstoel. Een nieuw bericht knipperde hem toe. Hij klikte het open. Het was Casper, die hem nog even het correcte adres had doorgestuurd: Langestraat 526. Vanuit zijn auto kon Pieter-Jan nog net het huisnummer zien dat op het huis stond: 108. Hij was dus toch op het verkeerde feestje. Vlug startte hij zijn auto en reed hij achterwaarts van de oprit. Casper en Esther zouden hem nooit geloven als hij hen dit vertelde! Hij was op een halloweenfeestje geweest met echte heksen en vampiers! Nu hij het huis achter zich had gelaten, kon hij er best mee lachen. Die mensen hadden Halloween wel erg op de spits gedreven. Tenminste, dat nam hij aan. Want de andere optie... Dat kon toch niet?

zondag 29 oktober 2017

De eenzame schoen

Giechelend vielen vier meisjes de nog bijna lege treinwagon binnen. Een vrouw die zat te lezen keek even op van haar boek en glimlachte om al dat jong geweld. Een man in een pak gluurde verstoord naar de vier meiden, die intussen een plekje gevonden hadden aan het andere einde van de wagon. Hij stak demonstratief zijn oortjes in, maar de vier merkten dat zelfs niet, ze letten enkel op zichzelf, hun omgeving was slechts decor.
“Zag je hoe hij keek?”
“Ja! Echt gewoon te gek!”
“Die reactie was fantastisch, beter dan ik had verwacht! Goed gedaan van je Marieke!” voegde Sandra eraan toe. Zij was de grootste van de vier: ze stak een halve kop boven de anderen uit, maar misschien kwam dat ook omdat zij als enige op hakken liep, wat haar een volwassen uitstraling moest geven. Ze had zich ook opgemaakt, maar het was te zwaar voor iemand van ongeveer vijftien. Ook Marieke, het blonde meisje, leek zich niet echt verzoend te hebben met haar in hun ogen nog te jonge leeftijd. Ze had haar haar in een losse paardenstaart gedaan en droeg een jeansbroek met daarboven een topje dat net niet te veel liet zien. Enkel Anouk, de brunette, zag er niet uit als een misplaatste en bij voorbaat mislukte imitatie van een twintiger. Ze was niet zo extreem mager als de twee anderen en droeg een vormeloze jurk, wellicht in een poging haar gezondere lijn te verbergen. Het laatste meisje, Joke, was nogal onopvallend gekleed. Ze had een jeansbroek en een doodgewone, rode trui aan. Zij bewoog zich elegant, maar ook weer niet zo dat ze alle ogen naar zich toe trok. Een heel gewoon tienermeisje.
“Daar zijn we mooi van verlost. Hij zal voortaan wel twee keer nadenken eer hij onschuldige meisjes lastigvalt!”
Geërgerd stak de man de oortjes nog wat dieper in zijn orgen. Konden die vier het volume niet wat naar beneden draaien? Daarom draaide hij het volume van zijn muziek dan maar wat omhoog, waarna hij zich opnieuw op zijn werk probeerde te concentreren.
“Hé, wat is dat?” vroeg Marieke plots, terwijl ze een schoen van onder de stoel tegenover haar uithaalde.
“Een schoen, duh!” lachte Anouk.
“Ja, dat zie ik ook wel, maar wie laat er nu een schoen achter op de trein?”
“Ligt er geen tweede?”
Alle vier bukten ze zich om onder de stoelen te kijken.
“Nee, die schoen is alleen. Eenzaam en in de steek gelaten!” riep Marieke dramatisch uit. Alle drie schoten ze in de lach.
“Arme schoen, waarom zou hij achtergelaten zijn?” vroeg Sandra. “En wat is er met zijn broertje gebeurd?” Broertje, niet zusje, want het was een mannenschoen: een beige sneakers met witte veters, redelijk nieuw, want nog nauwelijks grauw geworden.
“Misschien is hij uit iemands bagage gevallen?” opperde Marieke. “Dan komt de eigenaar straks op zijn bestemming aan en zit er maar één schoen meer in zijn valies.”
“De schoen ligt niet heel ver van de deur, misschien is iemand hem verloren terwijl hij uitstapte? De veters zaten los, hij schoot uit zijn schoen, die van zijn voet viel, maar de deuren zouden bijna weer dicht gaan, dus hij moest wel naar buiten springen, zonder schoen?” Dat is Anouks versie.
“Of het was iemand met maar één been. En die deed zijn schoen uit omdat... omdat...”
“Omdat hij zijn voeten comfortabel op de bank wilde leggen,” vulde Sandra aan.
“Zijn voet bedoel je, enkelvoud.” Opnieuw brak er hilariteit uit, waardoor de man in de verste hoek van de wagon zijn oortjes nog wat dieper in zijn oren probeerde te duwen terwijl hij hen vuile blikken toewierp.
“Jullie denken te simplistisch,” zei Joke plots. “Die schoen heeft vast een heel avontuur meegemaakt. Luister.”
De andere drie gingen er goed bij zitten. Marieke schoof haar schoenen van haar voeten, zonder eerst haar veters los te knopen, zodat ze haar benen onder zich kon vouwen en toch geen ruzie zou krijgen met de conducteur.
“Zorg maar dat je die straks niet vergeet,” lachte Sandra.
“Dames en heren,” kondigde Joke aan. “Ahum, dames, bedoel ik,” verbeterde ze zichzelf na een blik te hebben geworpen op de enige man in de wagon die demonstratief niét aan het luisteren was en naar zijn scherm staarde.
“Het verhaal van de eenzame schoen!”
Marieke, Sandra en Anouk barstten in lachen uit omwille van het theatrale gebaar waarmee Joke haar woorden vergezeld liet gaan. Het klonk als een aankondiging in een circus!
“Er was eens... Zo beginnen alle goeie verhalen, nietwaar? Goed, er was dus eens...”
“Een schoen!” riep Anouk uit.
Even was er grote hilariteit, maar toen maanden de Marieke en Sandra Anouk tot zwijgen. Ze wilden horen wat Joke nu weer had verzonnen.
“Er was eens,” begon deze laatste onverstoorbaar opnieuw, “een tovenaar. Natuurlijk mocht niemand weten dat hij kon toveren. Stel je eens voor wat ze met hem zouden doen als ze het wisten. Hij zou opgesloten worden in een psychiatrisch ziekenhuis als ze hem niet geloofden of, en dat zou nog erger zijn, als ze hem wel geloofden, zouden ze hem ook opsluiten om allemaal tests op hem te kunnen uitvoeren om te ontleden waar zijn toverkracht vandaan komt en of ze die zouden kunnen aftappen zodat anderen ook zouden kunnen toveren.
Nochtans is kunnen toveren niet altijd een pretje. Zeker niet als niemand mag weten dat je kunt toveren. Hij moest bijvoorbeeld opletten dat hij nooit de hik zou krijgen in het openbaar, want dan kwamen er bij elke hik luchtbellen uit zijn mond. Of als hij te veel gegeten had en hij moest een boertje laten, dan kwam er niet alleen lucht uit zijn mond, maar vaak ook bloemen of andere onzinnigheden. Heel vervelend!
Ja, lach maar,” zei Joke toen de drie andere meiden begonnen te gniffelen. “Beeld je eens in dat je tegenover iemand zit en dat die een boertje laat en een tel later een rode roos in zijn handen houdt. Wat moet hij doen, je die aanbieden?”
Nu schoten ze pas echt in de lach.
“Niet dus. Jonas, want zo heette de tovenaar, probeerde zijn toverkrachten zoveel mogelijk te verbergen. Daarom at hij nooit in het openbaar, stel je voor dat hij moest boeren of de hik zou krijgen!
Nu, Jonas kon ook teleporteren en dat was natuurlijk wel handig. Hij kon ‘s ochtends langer in zijn bed blijven liggen voor hij naar zijn werk moest, want hij hoefde niet met de auto in de file te gaan staan of de trein te nemen, met alle bijbehorende vertragingen.”
“Waarom moest hij werken als hij kon toveren? Had hij een gewone job of een speciale tovenaarsbaan?” onderbrak Marie Jokes verhaal.
“Hij moest gewoon gaan werken, net zoals iedereen. Geld kun je niet toveren en als het wel kon, dan was het verdacht geweest en had hij vast al heel snel de belastingsinspectie op zijn dak gekregen.”
“Die had hij toch kunnen omkopen?” merkte Sandra op.
“Dat was een te groot risico. Niemand mocht het weten, weet je nog? In elk geval... Hij kon dus ‘s ochtends langer uitslapen omdat hij gewoon naar het werk teleporteerde. Het enige probleem was dat zijn collega’s zich na een tijdje vragen begonnen te stellen over hoe hij telkens uit de toiletten kon komen zonder dat iemand hem had zien binnengaan. Sterker nog, zonder dat iemand hem voordien op de gang of op de parking was tegengekomen! En wie ging er nu met zijn aktentas mee naar het toilet? Die zet je normaal toch eerst af aan je bureau, terwijl je ook alvast je computer opstart?
Goed, naar het werk teleporteren werd dus te gevaarlijk en daarom besloot Jonas dan maar om de trein te beginnen nemen naar het werk. Maar hij wilde niet zo vroeg moeten opstaan, dus teleporteerde hij elke ochtend naar het toilet in de trein, vlak voor die zou aankomen in het station. Dat was een beetje lastig, aangezien dat wilde zeggen dat hij moest teleporteren naar een bewegende locatie. En als hij het verkeerd zou doen, zou hij misschien midden op de sporen belanden. Of als hij er maar een metertje naast zat, dan zou hij terecht komen boven op de schoot van een andere passagier!”
Opnieuw gierden de drie luisterende meiden het uit van het lachen.
“Stel je voor dat er plots een knappe bink uit het niets op je schoot zat! Daar zou ik geen bezwaar tegen hebben!” merkte Anouk bijdehand op.
Joke ging echter onverstoorbaar door met haar verhaal: “Nu, hij moest dus zorgen dat hij goed wakker was voor hij teleporteerde, anders kon het wel eens verkeerd gaan. Dat ging een tijdje goed, maar op een dag was hij wat aan de late kant. Hij had een ontbijtmeeting die ochtend met de grote baas en hij moest dus een halfuur vroeger dan gewoonlijk op zijn werk zijn, omdat die vergadering zo vroeg begon. Dus hij had zijn wekker wat vroeger gezet, want hij kende geen toverspreuk om op een bepaald uur wakker te worden. Die had hij beter wel gekend, want hij sliep door zijn wekker heen. Hij werd wakker even voor het gewone uur, wat wilde zeggen dat hij nog exact een kwartier de tijd had om op zijn werk te geraken in plaats van het gewone halfuur. Gelukkig hoefde hij niet te ontbijten, aangezien er daar ontbijt voorzien zou zijn. Hij toverde snel zijn kleren naar zich toe en toen teleporteerde hij naar de trein. Hij kwam net naar buiten uit het toilet, dat er die dag zelfs voor een toilet op de trein extreem vuil had uitgezien: er hing zelfs stront aan de muren!”
“Eèèèèh bah!”
“Dus daar wilde hij zo snel mogelijk weg. Hij stapte de drukke wagon in, maar hij had zijn veters nog niet dichtgeknoopt omdat hij zo gehaast was. Zijn schoenen zaten dus wat los aan zijn voeten, waardoor hij goed moest opletten dat hij ze niet per ongeluk aftrapte. En toen merkte hij dat hij op de verkeerde trein zat! In zijn haast had hij er niet aan gedacht dat het treinschema op dit vroegere uur anders was dan op zijn gewone uur. Wat moest hij nu? Het was al een hele tijd geleden dat hij nog eens rechtstreeks naar het werk geteleporteerd had en nood brak wet, vond hij. Als hij het niet deed, zou hij echt te laat komen. Teruggaan naar dat toilet wilde hij niet, dat was echt te vies. Dus zocht hij een rustig plekje, wat nog niet meeviel in die drukte. Toen hij dacht dat niemand keek, hurkte hij neer tussen twee zetels. Als iemand hem zag verdwijnen, zou die zijn ogen vast toch niet geloven. En evenmin zou iemand anders het geloven als die persoon het vertelde. Dit waren mensen die hij wellicht nooit meer zou zien. Dus nam hij het risico en teleporteerde hij vanuit zijn gehurkte positie tussen twee zetels in naar zijn werk. Helaas trapte er net op dat moment een van de andere passagiers, die hem dus inderdaad niet had zien zitten, op zijn schoen, waardoor die bleef staan, terwijl de voet er wel uit floepte, mee met Jonas naar zijn werk. Jonas kwam dus op tijd aan, maar met maar één schoen. En de passagier die zich wilde verontschuldigen bij de persoon op wiens voet hij had gestaan, kwam tot de ontdekking dat hij enkel op een schoen had getrapt, waar geen eigenaar meer in zat. Eigenaardig, wie verliest er nu een enkele schoen op de trein? Schouderophalend had hij de schoen laten liggen, wie weet kwam iemand hem nog zoeken.”
“Hoe legde Jonas aan zijn baas uit dat hij maar één schoen aanhad?” vroeg Sandra.
“Tja... Dat was nog een probleem... Toen hij op zijn werk aankwam en merkte dat hij maar één schoen aanhad, panikeerde hij natuurlijk heel even. Maar toen besloot hij om de andere schoen ook maar uit te doen en vlug naar de vergaderzaal te gaan. Met een beetje geluk was hij er nog als eerste en kon hij gaan zitten en zijn voeten onder tafel steken voor iemand kon zien dat hij op zijn kousen rondliep.”
Intussen was de trein op hun bestemming aangekomen, enkele stations verderop. Marieke deed vlug haar schoenen weer aan en de vier meiden stapten giechelend uit de trein, nog volop aan het discussiëren over de tovenaar die met één schoen aan op zijn werk was verschenen.
De vrouw zat nog steeds met haar boek in haar handen. Voor het eerst sinds de tieners waren ingestapt, sloeg ze weer een pagina om. De man in het pak haalde opgelucht zijn oortjes uit: eindelijk weer rust! En de schoen, die bleef eenzaam achter op de plek waar de meisjes hadden gezeten.

donderdag 14 september 2017

Het draakje dat geen vuur kon spuwen

Er was eens, lang lang geleden in een land ver van hier een klein draakje. Nu ja, klein… Voor een draak dan, want het draakje was nog altijd zo groot als een kasteel. Het leefde in de bergen en kon daar naar hartenlust spelen en vliegen en wat draken nog maar meer doen. Maar het kon geen vuur spuwen. Het probeerde wel: dan ademde het heel diep in door zijn neus en blies daarna alle lucht in één keer uit zijn mond naar buiten. Dat veroorzaakte een gigantische windhoos, die bomen ontwortelde en kilometers ver meesleurde, maar geen vuur.
Op een dag - is dat niet wanneer alle verhalen beginnen: op een dag? - besloot het draakje om zijn vertrouwde bergen te verlaten en op zoek te gaan naar zijn vuur. Alle bomen in zijn domein waren al ontworteld door zijn vergeefse pogingen om vuur te kunnen ademen en het landschap zag eruit alsof er een woest beest had huisgehouden. Wat in feite ook zo was.
Dus draaide het draakje het de rug toe en vloog het naar het zuiden. Daar was het warmer, had hij gehoord, dus daar zou er misschien wel vuur te vinden zijn. Met enkele krachtige slagen van zijn grote, groene vleugels liet hij de bergen algauw achter zich.
Hij kon natuurlijk niet eeuwig blijven vliegen: ‘s avonds landde hij om een comfortabel plekje uit te zoeken waar hij kon slapen. Hij leerde al vlug om, als er mensen aankwamen, zich plat op de grond te leggen, met zijn poten onder zich, zijn gezicht naar beneden gericht en een bolle rug op te zetten. Dan dachten de mensen dat hij een heuvel was. Meestal ontweken ze hem, omdat ze geen zin hadden in de klim, maar sommigen wandelden recht over hem heen. Als ze dan later achteromkeken, dan was de heuvel die ze beklommen hadden plots verdwenen. “We moeten al verder gegaan zijn dan we dachten,” zeiden ze dan bij zichzelf terwijl ze hun schouders ophaalden. En ze wandelden verder.
Een keer, toen het al avond werd, besloot het draakje om het er maar bij te laten voor die dag. Hij zocht een leuk plekje uit en nestelde zich tussen de natuurlijke glooiingen van het landschap in. Net toen hij al bijna sliep, voelde hij voeten van zijn linkervoorpoot over zijn schouder naar zijn rug klimmen. Ondanks de neiging om zich nog eens goed uit te rekken, deed hij zijn best om stil te blijven liggen. Lang zouden ze er niet over doen om de overkant te bereiken en verder te trekken. Toen hielden de voeten plots halt. Hij voelde dat de mensen op zijn rug wat aan het rommelen waren en vroeg zich af wat ze in godsnaam aan het doen waren. O nee, misschien hadden ze besloten om de nacht op zijn rug door te brengen! Ineens voelde hij een stekende pijn net onder zijn schouder. Door de schrik van die plotselinge pijn vergat hij om stil te zitten en schokte hij omhoog. Een schreeuw en roffelende voeten op zijn rug vertelden hem dat de mensen op de vlucht sloegen. “Een aardbeving!” riepen ze, terwijl ze zich zo snel mogelijk uit de voeten maakten. Hun tent en de piket die ze in de schouder van het draakje hadden geslagen, lieten ze achter. Het draakje wachtte tot ze uit het zicht waren, beet zijn tanden op elkaar en trok brullend van de pijn de piket uit zijn schouder, waarna hij die met tent en al wegslingerde, de mensen achterna.
Na een aantal dagen verandert het landschap onder hem terwijl hij verder vliegt. Algauw is er niets anders te zien dan een grote zandvlakte, enkel doorbroken door rotsformaties. Het is verstikkend heet. Hier moet er wel ergens vuur te vinden zijn, denkt het draakje. Dus daalt het af en maakt het een elegante landing in het zand, voor zover een draak zo groot als een kasteel elegant kan landen tenminste: het zand stuift op naar alle kanten, maar zijn vier poten staan stevig in het zand. En toen stond het draakje middenin de woestijn. Wat nu? Waar was het vuur? De lucht voelde zo heet aan, de mond van het draakje was helemaal droog. Dat was het! Misschien was het hier wel zo warm dat hij eindelijk vuur zou kunnen spuwen! Dus ademde het draakje heel diep in, tot hij dacht dat zijn longen in brand stonden en nog wat langer en daarna blies hij alle lucht in één keer naar buiten. Zand stoof op tot een heuse zandstorm, zelfs enkele kleinere rotsblokken werden de lucht in gezwierd om daarna met een grote plof terug te landen, wat alleen maar meer zand deed opwaaien. Een kwartier lang kon je geen hand voor ogen zien omdat er zoveel zand in de lucht was. Maar er was geen vuur ontstaan. Opnieuw was het draakje er niet in geslaagd om vuur te ademen.
Misschien is het hier toch nog niet warm genoeg, dacht het draakje moedeloos, want hij zweette zo hard dat het water met liters tegelijk van hem afstroomde en er tijdelijke rivieren in de woestijn ontstonden, tot het zweet werd opgeslorpt door het eeuwige zand. Dus trok het verder naar het zuiden.
Plots doemde er in de verte een stad op waar een aantal hoge torens met spitse toppen uitstaken. Eerst wilde het draakje er in een grote boog rond vliegen, maar toen zag het plots iets wat zijn aandacht trok: was dat een wolk van vuur die uit de nauwe straatjes opsteeg? En nog eens. En nog eens. Ja hoor, dat leek echt vuur te zijn! Nieuwsgierig vloog het draakje erop af. Zou er daar een andere draak zijn die hem kon leren om vuur te spuwen? Hij hoopte het zo hard! Maar toen hij boven het stadje vloog, zag hij geen draak. Hij zag enkel maar een grote groep mensen die op een afstandje in een kring stonden rond een man met een brandende fakkel in zijn hand. De man was erg gek gekleed: hij had enkel een kleurrijke broek met lange broekspijpen die in twee punten eindigden aan. Zijn bovenlichaam was ontbloot, vast om te tonen dat hij niet bang was van het vuur. Om misschien net omdat hij het zo warm had? Plots bracht de man de fakkel naar zijn mond en… hij spuwde vuur! Het draakje keek zo gefascineerd toe dat hij bijna tegen een van de torens die boven de stad uitstaken was gevlogen. Nog net op tijd wist hij hem te ontwijken, maar toch verloor hij bijna zijn evenwicht midden in de lucht. Spartelend met alle vier zijn poten wist hij uiteindelijk naast de stad neer te strijken. Zand stoof op tegen de poorten. Wat nu? Hij was veel te groot om de stad binnen te gaan en de man te zoeken. Alleen al zijn kleine teen zou klem geraken in de nauwe straatjes. Nee, hij zou moeten wachten tot de man naar buiten kwam. Jaloers keek hij over de stadsmuren heen naar de wolken van vuur die regelmatig opstegen vanop het marktplein.
De avond viel en nog steeds was de vuurspuwende man niet naar buiten gekomen. Misschien woonde hij wel in de stad en zou hij helemaal niet naar buiten komen! Verdrietig legde het draakje zijn kop op zijn voorpoten en staarde voor zich uit, de woestijn in. Zou hij ooit het geheim van het vuurspuwen leren? Intussen is het al helemaal donker geworden. De sterren schitteren helder aan de hemel. Onverwacht komt de man toch nog naar buiten. Vlug springt het draakje recht. Eerst staat de man stokstijf stil. Hij lijkt zijn ogen niet te geloven. Het gebeurt ook niet elke dag dat er een draak zo groot als een kasteel naast je staat en je probeert aan te spreken. Na een paar seconden komt hij tot zichzelf en rent hij gillend terug de stadspoorten in. Boos stampvoetend kijkt het draakje hem na. De aarde beeft. Een van de torens in de stad wankelt en valt dan om. Overal weerklinkt gegil. Oeps… Dit was nu ook weer niet de bedoeling. Er verschijnen fakkels op de stadsmuren, vastgehouden door mannen met hooivorken en rieken, die naar de draak gekatapulteerd worden. Ze willen me hier niet, denkt het draakje verdrietig. Ik kan maar beter een andere slaapplek zoeken. Alles wat ik wilde was leren vuurspuwen… Met hangende pootjes vliegt hij weg, terug naar het noorden. Hij geeft het op. Hij zal wel nooit vuur kunnen spuwen…
Twee weken later is hij terug in zijn vertrouwde bergen. Overal liggen er ontwortelde bomen en verdwaalde rotsblokken. Hij is thuis. Treurig gaat hij op een van zijn favoriete plekjes in het dal liggen. Wat nu? Met zijn kop op zijn voorpoten staart hij zonder iets te zien voor zich uit. Zelfs die man kon vuurspuwen en hij kan het niet, hij zal het nooit kunnen. Steeds opnieuw ziet hij voor zich hoe de man de fakkel naar zijn mond bracht om vervolgens het vuur uit te ademen.
Wacht eens even! De man gebruikte een fakkel. Als hij nu eens… Vlug krabbelt het draakje overeind. Hij neemt de eerste de beste boomstam die hij vindt en schraapt die krachtig langs de rotsblokken. Het hout vat vuur. Zo, een fakkel heeft hij al. Nu kan hij proberen na te bootsen wat die man deed. Gretig brengt hij de boomstam naar zijn mond en ademt diep in. Hoestend en proestend beseft hij zijn vergissing als zijn neusharen in brand schieten. Hij laat de boomstam vallen en stampt in het rond, waardoor hij gelukkig het vuur ook uittrapt voor het zich kan verspreiden. Met een tegenwoordigheid van geest die hem later zal verbazen denkt hij aan het meertje even verderop. Twee krachtige vleugelslagen later plonst hij in het water. Zijn neusharen zijn verschroeid, maar verder lijkt de schade niet zo groot te zijn.
Domkop die hij is… Wie heeft nu al ooit gehoord van een draak die zichzelf in brand steekt? Maar hij voelt aan dat hij op het goede spoor is en neemt nog een boomstam, die hij op dezelfde manier aansteekt als de eerste. Deze keer let hij goed op om eerst diep in te ademen en daarna pas het brandende uiteinde naar zijn mond te brengen. Hij opent zijn mond en blaast alle lucht eruit. Een wolk van vuur schiet weg en verschroeit al het nog levende groen in een omtrek van 50 meter.
“Hoera!” juicht het draakje. “Eindelijk! Eindelijk ben ik een echte draak, één die vuur kan spuwen!” En hij stuwt er nog een vuurwolk achteraan.

maandag 14 augustus 2017

Geschiedenisles

“Die nieuwe van geschiedenis is echt raar.”
Ze stonden buiten op het schoolplein na hun eerste lessen van het nieuwe schooljaar. In tegenstelling tot vorig jaar zaten Maxim en Leander niet langer in dezelfde klas. Aangezien dit  betekende dat ze geen gezamenlijk kattekwaad meer konden uithalen tijdens de lessen - wat er wellicht de reden van was dat de leraren besloten hadden hen uit elkaar te hadden en niet meer in dezelfde klasgroep in te delen - brachten ze elkaar nu tijdens de pauzes verslag uit. Plan A was geweest om gewoon tijdens de lessen contact te houden via de videochat van hun tablets, die ze op elkaar afgestemd hadden, maar ze hadden de voorbije twee uren ontdekt dat de school dit jaar blijkbaar eindelijk een manier gevonden had om dat te blokkeren.
“Wat is er zo raar aan hem?” vroeg Maxim, terwijl een gevleugelde memo langs zijn oor scheerde, wat hij negeerde.
“Je zou beter vragen wat er normaal aan hem is…  Niet veel! Die man leeft gewoon in het verleden. Een echte vakidioot. Hij kan wel boeiend vertellen,” gaf Leander toe. “Maar hij wil geen elektronica in zijn lessen, kun je je dat voorstellen? Geen elektronica, alsof we in de prehistorie leven!”
“Geen elektronica?” echoode Maxim. “Hoe moet dat dan? Ik bedoel, je kunt toch geen notities nemen zonder je tablet?”
“Pen en papier, jongen!”
Maxim stompte hem tegen zijn schouder. “Ik was er bijna ingelopen!” grinnikte hij.
Leander wilde nog iets zeggen, maar op dat moment weerklonk de bel, die aangaf dat ze terug naar hun lokalen moesten.
“Het is geen grap, het is echt!” siste Leander nog net, voor hij door een van de vele schermen tot stilte werd gemaand. Aangezien hij geen zin had om al meteen de eerste dag als straf een virus op zijn tablet te krijgen dat hem een boel extra huiswerk zou bezorgen, deed hij er daarna het zwijgen toe. Maxim zou vanzelf wel merken dat hij gelijk had. Meteen verscheen Maxims uurrooster voor zijn netvlies, nadat hij zich onbewust had afgevraagd wanneer hij de eerste keer geschiedenis zou hebben. Dat bleek het volgende uur te zijn. Deze middagpauze zouden ze heel wat hebben om over te praten. Ze moesten echt een manier vinden om ook tijdens de lessen te kunnen communiceren, nu de videochat was geblokkeerd. Wellicht konden ze wel een andere manier vinden om hun tablets met elkaar te verbinden. De school kon niet alles blokkeren, aangezien de tablets onontbeerlijk waren voor de leerlingen. Zonder tablets kon er geen les worden gegeven. De mogelijkheden waren eindeloos, ze moesten gewoon even een paar opties uitproberen.

Intussen had Maxims hooverboard hem tot aan zijn lokaal gebracht. Hij keek om zich heen, maar hij had geen idee waar hij was. Zolang zijn hooverboard, dat automatisch met zijn uurrooster was verbonden, het maar wel wist. Die Leander toch… Maxim grinnikte nog even na. Welk vak had hij nu eigenlijk? In een oogwenk kreeg hij zijn uurrooster te zien. O, kijk, geschiedenis! Hij was eens benieuwd. Net als de andere leerlingen uit zijn klas werd hij het lokaal in gezoefd. De leraar was er nog niet, maar dat was niet wat hun aandacht trok. Houten banken stonden in lange rijen opgesteld. Vooraan was een groen magneetbord aan de muur bevestigd. Wat voor gekke lokaalopstelling was dit? Waar waren de schermen en de driedimensionele hologrammen? Stomverbaasd keken Maxims klasgenoten elkaar aan. Waren ze wel op de juiste plek? Hun hooverboards konden toch geen fout gemaakt hebben? Alhoewel, het was de eerste dag van het nieuwe schooljaar, misschien zat er een foutje in de nieuwe programmatie?
Op dat moment kwam een man van middelbare leeftijd binnengewandeld. Gewandeld. Zonder hooverboard. Hij droeg erg gekke kleren: een saaie, blauwe broek die zo te zien uit nogal stugge stof was gemaakt en een t-shirt met letters op geprint. Zijn haar was kort geknipt en lag netjes op zijn hoofd geschikt.
“Zo, ga allemaal rustig zitten,” zei hij.
“Bent u de nieuwe leraar?” flapte Marie, die nooit op haar mondje was gevallen, eruit.
“Jazeker.”
“Maar… Waar is uw hooverboard?”
“Dat leg ik straks allemaal uit, ga eerst maar zitten.”
“Waar?” vroeg Jonas.
“Op een van de stoelen natuurlijk!” riep de leraar enthousiast uit.
Weifelend keken de leerlingen elkaar aan. Die man was gek! Toch begonnen er een paar in de richting van de stoelen te hooveren. Er gebeurde niets. Onzeker bleven ze een paar centimeter boven de grond zweven terwijl ze vragend naar de leraar keken.
“Je moet zelf de stoel vastnemen en hem naar achteren trekken, jongens,” grinnikte hij, terwijl hij het voordeed. “Ongelofelijk dat ik jullie moet leren hoe je kunt  gaan zitten.”
“Geef ons dan ook een normaal lokaal met normale stoelen die zelf weten wanneer er iemand aan komt,” mompelde Jonas, luid genoeg zodat de leraar het zeker zou horen, maar die negeerde het. Hij wachtte even tot het iedereen gelukt was om plaats te nemen, waarbij er nogal wat hooverboards onhandig tegen stoelpoten aan botsten.
“Zo. Ik ben jullie nieuwe geschiedenisleraar. Zoals jullie misschien al door hebben, gaat de stof dit jaar over de twintigste en eenentwintigste eeuw. Een erg boeiende periode waarin er veel gebeurd is en waarin men een enorme technologische revolutie heeft meegemaakt. Die reis gaan we dit jaar samen opnieuw maken. En om dat te doen, gaan we ons helemaal onderdompelen in de twintigste en de eenentwintigste eeuw. Dat wil zeggen dat ik ook les ga geven zoals het toen gebeurde: met een minimum aan technologie.”
Het geroezemoes was tijdens deze toespraak steeds luider gaan klinken, tot de leraar er nu niet meer bovenuit kwam.
“Geen technologie?” riep Marie. “Dat kan toch niet!”
“Dat kan zeker wel.”
“Maar hoe moeten we dan notities nemen?”
“Met pen en papier,” zei Maarten, die intussen begreep dat Leander geen grapje had gemaakt. Die leraar was echt knettergek.
“Jij snapt het,” de leraar glimlachte breed naar Maarten. “Dat is ook de reden waarom ik geen hooverboard heb: die hadden ze nog niet in de twintigste eeuw. In de eenentwintigste eeuw werd daar een begin mee gemaakt, maar dan als speelgoed, niet als standaard schoeisel slash vervoermiddel, dat kwam pas later: aan het begin van de tweeëntwintigste eeuw.
De leraar grinnikte opnieuw toen hij zag dat iedereen hem met open mond zat aan te staren. “Dit moet een hele schok voor jullie zijn, daarom beginnen we vandaag met een rustige, inleidende les,” zei hij, terwijl hij een lade van zijn bureau opentrok. Een paar meisjes slaakten een kreetje: “Het gaat open!”
“Dit, dames en heren, is een lade. Het is onderdeel van een bureau en werd gebruikt om dingen in op te bergen, zoals pen en papier,” legde hij uit, terwijl hij met een zwierige beweging inderdaad pennen en papieren uithaalde, die hij begon uit te delen. “Hierop gaan jullie notities nemen. Geen paniek, deze eerste les is slechts een inleiding en nog niet heel belangrijk, maar dan kunnen jullie er alvast even aan wennen om zonder technologie notities te nemen, net zoals leerlingen in de twintigste en eenentwintigste eeuw moesten doen. Nu, in de eenentwintigste eeuw mochten leerlingen vaak ook al notities nemen op hun laptop, die ze dan van thuis meebrachten naar school, maar helaas was het in dit hele stopcontact niet mogelijk om een stopcontact te vinden, dus kon ik ook geen laptops aan de praat krijgen, want die hebben nog ouderwets elektriciteit nodig om hun ding te kunnen doen.” Aan de niet-begrijpende gezichten van zijn leerlingen, zag hij dat hij dat wat beter zou moeten uitleggen: “Elektriciteit kwam toen uit draden uit de muur, waar je het toestel op aan moest sluiten door een kabel, die in het stopcontact werd gestoken. Uiteraard is er in dit hele gebouw geen stopcontact meer te vinden, dus helaas voor jullie was het niet mogelijk om jullie ook notities te laten nemen op een laptop. Jullie moeten het dus met pen en papier doen.”
“Maar meneer, en onze…”
“Verboden!” riep de leerkracht, voor Jonas zijn zin had kunnen afmaken. “Alle hedendaagse technologie is in dit lokaal verboden. Enkel omdat het de eerste les is, mochten julllie je hooverboards aanhouden. Voor de volgende les wil ik dat jullie die op de gang laten staan.”
Intussen had iedereen een balpen en een paar bladen papier gekregen.
“Goed, schrijf op: ‘Inleiding tot de twintigste en eenentwintigste eeuw’”, zei hij, terwijl hij zelf de titel van de les met krijt op het bord schreef. Toen hij zich weer omdraaide naar de klas, zag hij dat de helft van de leerlingen niet aan het schrijven was, maar hem verbijsterd aanstaarde. Knipogend wees hij naar het papier op hun tafels: “Schrijven, je weet wel, met balpen letters op papier tekenen om woorden en zinnen te vormen.”
Intussen was Maarten al begonnen, maar hij worstelde nogal: schrijven met een balpen op papier deed hij bijna nooit, terwijl het wel een handeling was die wat oefening vergde om het goed te kunnen. Met puntje van zijn tong uit zijn mond, tekende hij de letters op het papier. Af en toe spiekte hij even naar wat de leraar op het bord had gezet, als hij twijfelde hoe een bepaalde letter nu weer gevormd moest worden.
Dit zou vast een boeiend jaar worden. Die man was duidelijk gepassioneerd door zijn vak. Ze zouden helemaal ondergedompeld worden in de twintigste en eenentwintigste eeuw. Maarten wilde wedden dat hij er heel wat van op zou steken, veel meer dan van zijn andere vakken. Wiskunde was daarnet extreem saai geweest, net als Engels, het uur erna. Maar deze leraar, die stak moeite in zijn lessen, dat merkte je. Hij wenste dat hij zijn enthousiasme kon delen met Leander. Ze moesten echt een manier vinden om de schoolblokkades te omzeilen. Al zou hem dat in deze les niet helpen, aangezien alle technologie verboden was. Misschien konden ze wel boodschappen op papier voor elkaar achterlaten, bedacht hij enthousiast!
Intussen was iedereen zo ongeveer klaar met schrijven. “Goed,” sprak de leraar, met het krijtje nog steeds in zijn rechterhand “wie kan mij een paar belangrijke gebeurtenissen of feiten uit de twintigste of eenentwintigste eeuw vertellen?”
Meteen begon iedereen door elkaar te praten. Met de nagels van zijn linkerhand schraapte de leraar over het bord, wat een weerzinwekkend schel geluid teweegbracht. De leerlingen brachten hun handen naar hun oren. Meteen werd het stil.
“Niet allemaal tegelijk. Ik weet dat jullie systemen daar in andere lessen voor zorgen, maar hier doen we het anders, net zoals…”
“...in de twintigste en eenentwintigste eeuw,” bauwde Jonas hem na.
“Inderdaad, jij snapt het,” grijnsde de leerkracht. “Dat wil dus zeggen dat je niet zomaar het antwoord op een vraag begint door het lokaal te roepen, maar dat je je hand opsteekt. Pas als ik je aanduid, mag je antwoorden.”
“Hoe ouderwets is dat!” riep Marie verontwaardigd uit.
“En jij snapt het ook,” kwam het antwoord meteen. “Dat is het hele punt.” Marie keek beteuterd, maar de leraar negeerde haar.
Maarten grijnsde inwendig. Die man wist hoe hij de leerlingen moest aanpakken.
“Poging twee: wie kan me een paar belangrijke feiten opnoemen uit de eeuwen die ons hier vandaag interesseren?”
Maarten stak zijn hand op, hij vond dit wel een leuk spelletje.
“De twee Wereldoorlogen.”
“Die waren behoorlijk belangrijk, ja.” Hij schreef het op het bord en draaide zich naar de klas. “Wat nog?”
“De verdragen van Nanjing.”
“Klopt, dat was naar het einde van de eenentwintigste eeuw toe.” Opnieuw schreef de leraar het op het bord.
“De uitvinding van de auto?”
“Dat was eigenlijk de negentiende eeuw, maar in de twintigste eeuw zou dit vervoersmiddel pas echt doorbreken. Uiteraard is de auto nu overbodig geworden, maar in de twintigste en eenentwintigste eeuw speelde hij een enorm belangrijke rol in het alledaagse leven van de mensen die toen leefden.”
“Terrorisme, 9/11 en zo!”
De leraar knikte naar Jonas. “Inderdaad, dat speelde toen heel erg. Gelukkig leven we nu in betere tijden, in dat opzicht toch. Nog dingen? Misschien enkele belangrijke personen?”
“Hitler!”
“Wachten tot ik je aanduid, Lisa. Maar je hebt wel gelijk. Zonder Hitler was er misschien geen Tweede Wereldoorlog geweest. Wie nog?”
“Verbiest.”
“Klopt. Hij zou een immens belangrijke rol spelen in de tweede helft van de eenentwintigste eeuw. Zijn landinmengingen leidden uiteindelijk tot de demolitie van de staatsgrenzen, met het ontstaan van de Wereldpartij tot gevolg. En we weten allemaal wat die veroorzaakt heeft.”
De leerlingen knikten.
“Ok, ik zie dat het bijna tijd is. Heeft iedereen notities kunnen nemen? Denk eraan, vanaf volgende les beginnen we er echt aan: hooverboards blijven op de gang en jullie nemen zelf notities van wat ik zeg. Vergeet dus zeker niet om ook pen en papier mee te nemen.”
Sommige leerlingen keken opstandig. Normaal gezien namen hun tablets de notities voor hen, zij hoefden er niets voor te doen. Dit was ook een heel andere soort les dan ze gewend waren. Normaal werkten ze vrij individueel en gaf de leraar hun gewoon wat tips mee. Hun tablets deden de rest. Nu moesten ze in groep luisteren naar wat de leraar te vertellen had en zelfs notities nemen. Met pen en papier dan nog!
Maarten vond het geweldig. Dit was eens wat anders! Het zou echt een heel boeiend jaar worden. Hij kon niet wachten om Leander straks te zien en hem te vertellen over zijn idee om contact te houden met pen en papier. Geen enkele leerkracht zou daaraan denken!