De verhalenspin

Er leeft een spin in mijn hoofd. Zoals alle spinnen weeft mijn spin webben. Maar het zijn geen gewone webben: mijn spin weeft verhalenwebben. Draadje per draadje, zin per zin. Ideeën die door mijn hoofd waaien blijven kleven en vallen ten prooi aan de spin, die ze lustig in haar web verweeft. Sommige webben zijn heel klein, bestaan uit slechts enkele draadjes. Andere nemen meer plaats in, overwoekeren mijn gedachten. Opdat het niet al te stoffig zou worden in mijn hoofd, heb ik dus besloten om de spinnenwebben uit te schrijven in de vorm van verhalen. En aangezien mijn spin voldoende voedsel nodig heeft, zijn ideeën altijd welkom, wie weet blijven ze plakken en zie je ze terug in een van de verhalen die ik post.

dinsdag 9 mei 2017

Het draakje dat een schildpad wilde zijn

“Maar ik wil een schildpad zijn!”
Papa en mama schudden het hoofd. “Alweer die onzin? Waarom zou je dat willen? Schildpadden zijn log en traag! En ze kunnen niet eens vliegen en ook geen vuur spuwen!”
“Maar ze hebben een hard schild om zich te beschermen en ze kunnen verstoppertje spelen met zichzelf!” sprak het kleine draakje tegen. Zijn groene staart met paarse schubben sloeg heen en weer over de gladde, witte tegels van de woonkamer. Terwijl hij sprak, ontsnapten er kleine vonkjes uit zijn mond. Dat kwam omdat hij opgewonden en een beetje kwaad was. Dan kon hij zich niet zo goed beheersen. Een vonkje kwam terecht op het vloerkleed en begon te smeulen. Verstrooid trapte papa draak de vonk uit. Hij merkte zelfs niet dat hij het deed, zo geroutineerd was de beweging. Draken, zeker kleine, opgewonden draakjes, zetten af en toe eens iets in de fik, zo ging dat nu eenmaal. Volwassen draken konden de open haard of de barbecue aansteken met hun adem. Kleine draakjes probeerden hen vaak na te doen, maar dat lukte slechts zelden. Controle over het vuur kwam pas met de jaren. En zelfs dan lukte het niet goed als je kwaad of opgewonden was. Dan konden er nog weleens ongelukjes gebeuren. Daarom hadden draken nooit houten meubels en stonden er doorheen het hele huis emmers water om te kunnen blussen wanneer dat nodig was.
“Ik. Wil. Een. Schildpad. Zijn!” riep Draco uit. Elk woord veroorzaakte een steekvlam.
Papa en mama draak zuchtten diep. “Je kunt geen schildpad zijn, Draco. Je bent als draak geboren, daar kun je niets aan veranderen.”
Gefrustreerd draaide het kleine draakje zich om. Zijn ouders begrepen er niets van! Stampvoetend liep hij de woonkamer uit. Een familiefoto viel van de muur, zo hard trilde het huis. Want zelfs kleine draakjes zijn minstens vijf meter groot eten wegen algauw meer dan 700 kg. Stampvoetende kleine draakjes kunnen dus kleine, plaatselijke aardbevingen veroorzaken, wat ook nu weer het geval was.
Op zijn kamer vouwde Draco zijn vleugels mokkend om zich heen. Plots kreeg hij een idee. Maar dan moest hij wel zorgen dat zijn ouders het niet zouden merken. Voorzichtig sloop hij langs de trap terug naar beneden, naar de keuken. Dat was nog een hele onderneming. Poot per poot zette hij voorzichtig neer. Sommige treden kraakten, maar die sloeg hij over. Opgewonden als hij was door zijn plotse inval, moest hij goed opletten om geen vuur uit te ademen. Brand veroorzaken zou niet echt bijdragen tot de geheimhouding van zijn missie. Uiteindelijk slaagde hij erin om ongemerkt de keuken te bereiken. Hij opende de kast met potten en pannen en nam er een groot deksel uit. Dit zou goed van pas komen bij zijn plannetje! Half huppelend liep hij de keuken terug uit. Bijna liet hij het grote deksel uit zijn voorpoten glippen, maar na wat jongleerwerk wist hij het uiteindelijk met een zwaai van zijn staart op te vangen en zo te voorkomen dat het met een deksels lawaai op de grond zou kletteren. Met zijn buit stevig tussen zijn voorpoten geklemd, sloop hij terug naar boven. Nu was hij zo opgewonden dat hij de vonkjes die af en toe uit zijn mond naar buiten schoten niet kon tegenhouden, maar hij slaagde er desondanks toch in om nergens brand te stichten.
Eenmaal terug op zijn kamer nam hij een paar stukken touw en maakte hij die met plakband stevig aan het deksel vast, zodat hij het op zijn rug zou kunnen dragen als een afneembaar schild. Na heel wat gewurm en na de lengte van het touw verschillende keren te hebben aangepast, zat het eindelijk relatief comfortabel, al werden zijn vleugels wat geplet.
Opgewonden denderde hij de trap af, de woonkamer binnen. “Mama, papa, kijk! Ik ben een schildpad!” riep hij uit, waarbij hij in zijn opwinding per ongeluk een steekvlam uitbraakte die de rok van mama draak in brand stak.
“Kijk nu wat je doet!” riep ze uit, terwijl ze het vuur uitsloeg met haar grote drakenpoten. “Je moet echt beter opletten, Draco!”
“Het spijt me,” zei hij beteuterd. “Maar kijk dan: ik ben een schildpad!”
Mama draak keek nog steedsd een beetje boos over de in brand gestoken rok, maar papa draak proestte het uit.
“Is dat een deksel uit de keuken?” vroeg hij, net niet dubbelplooiend van het lachen.
“Nee, dat is mijn schildpaddenschild!” riep Draco boos. Ze snapten er niets van. Ze lachten hem zelfs uit! Waarom mocht hij niet gewoon een schildpad zijn?
Kwaad stampte hij naar buiten. Het kon hem niet schelen dat hij onderweg drie brandjes stichtte en dat hij met zijn staart een vaas omver zwiepte. Buiten wilde hij zijn vleugels spreiden om weg te vliegen, maar aangezien ze vast zaten onder zijn schild en hij wel al een aanloop had genomen, rolde hij nogal onelegant door het gras, waardoor hij alleen maar bozer werd. Een vleugel was intussen half losgekomen van onder het schild, maar de andere zat nog vast op zijn rug. Na een paar harde rukken kwam ook die los. Helaas zat het deksel op zijn rug door al dat geruk aan zijn vleugels niet meer goed vast, waardoor het half naar beneden hing. Hij schikte het weer goed op zijn rug, waarna hij nogmaals een aanloop nam en in de lucht sprong. Hij spreidde zijn grote, paars-groene vleugels en vloog omhoog. Hij vloog hoger en hoger en verder en verder. Langzaam maakte zijn boosheid plaats voor euforie. Zijn vleugels daalden langzaam op en neer en Draco blies een vrolijke steekvlam de wijde wereld in. Vliegen was heerlijk!
Maar... Schildpadden konden eigenlijk helemaal niet vliegen, bedacht Draco plots. Hoe moest dat dan? Vuur spuwen zou hij niet missen, dat veroorzaakte enkel ongelukken, zoals daarnet, met de rok van mama draak, of zoals toen hij in het zwembad per ongeluk een groot deel van het water had doen verdampen, waardoor ze plots eerder in een hammam dan in een zwembad leken te zitten. Maar vliegen... Vliegen wilde hij eigenlijk niet missen. Intussen was hij bijna terug thuis. Bezorgd landde hij midden in de weide voor het huis, een steekvlam voor zich uit sproeiend, waardoor de koeien alle kanten opstoven. Die hadden duidelijk nog geen zin om op de barbecue te belanden. Draco merkte dit echter nauwelijks op. Hij was diep in gedachten verzonken.
Papa draak stond hem voor de deur van het huis op te wachten. “Wat scheelt er, knul?” vroeg hij.
“Ik wil zo graag een schildpad zijn,” legde Draco uit, “maar ik wil wel ook kunnen vliegen.”
Papa draak glimlachte. “Maar jongen toch, daarnet vond je nog dat je een schildpad was, met dat schild op je rug!”
“He, dat is waar! Ik ben ook een schildpad, want ik heb een schild!”
“En je hebt net gevlogen,” vulde papa draak behulpzaam aan. “Dus...”
“Dus ik ben een vliegende schildpad!” antwoordde Draco blij. Hij trok het deksel op zijn rug nog even goed aan en spreidde zijn vleugels weer. “Whoehoeoeoe!” joelde hij, waardoor er opnieuw een paar koeien op de vlucht sloegen, beducht voor de - in hun ogen - levende vlammenwerper.
“Hier komt de vliegende schildpad!” Met een uitgelaten looping, waarbij hij bijna zijn geïmproviseerde schild kwijtraakte, verdween het kleine draakje in de richting van het bos. Papa draak keek hem hoofdschuddend na. “Die jongen heeft rare ideeën... Maar ach, als hij maar gelukkig is,” mompelde hij hoofdschuddend, voor hij terug naar binnen liep, een glimlach op zijn gezicht.

woensdag 3 mei 2017

Onzichtbaar verbonden

Een man steekt de straat over. Hij zet grote stappen om te vermijden op de witte strepen van het zebrapad te lopen. Doordat zijn benen zo lang zijn, valt dit niemand op. Hij lijkt gehaast, maar is het niet. Hij wil enkel niet op de witte strepen staan. Zijn vuile schoenen zouden voetafdrukken achterlaten, denkt hij, ook al weet hij dat het onzin is. Toch neemt hij liever geen risico. Want als hij voetsporen nalaat, dan kan iedereen hem volgen. Niet dat iemand dat zou willen. Maar je weet maar nooit. Want als ze hem zouden volgen, dan zouden ze weten waar hij woont, waar hij werkt, waar hij elke dag heen gaat. Dan zouden ze ook weten dat hij niet rechtstreeks van het werk naar huis gaat, maar in plaats daarvan een omweg neemt langs het park. Net als vandaag. Hij heeft geen specifieke reden om die omweg te nemen en ook geen specifieke reden om het te willen verbergen. Toch doet hij het beide. De weg door het park duurt tien minuten langer dan als hij rechtstreeks naar huis zou gaan. Het is niet dat hij niet naar huis wil, integendeel. Hij kan nauwelijks wachten om naar huis te gaan, zijn vrouw te knuffelen en met zijn twee zoontjes te spelen. Elke dag op het werk verlangt hij tot hij weer naar huis kan om bij hen te zijn. Maar eerst moet hij door het park, dat een buffer tussen het werk en thuis vormt. Als hij niet langs het park gaat, dan zal er iets ergs gebeuren. Wat dan precies, dat weet hij niet. Maar dat er iets zal gebeuren, staat vast. Dus gaat hij voor hij naar huis gaat eerst naar het park, al let hij goed op dat niemand dat te weten komt. Het park is zijn veilige haven, hij komt er tot zichzelf, kan er de werkdag achter zich laten. Als de zon schijnt, dan laadt hij zich eraan op door de stralen op zijn gezicht te laten dansen. Als het regent, dan spoelen de druppels hem schoon van het denkbeeldige stof dat het werk op hem achterlaat. Een gratis douche, zonder shampoo weliswaar. Hij had er weleens over gedacht om een fles shampoo mee te nemen, om te kunnen douchen in het park. Maar dat zou te veel opvallen. Dan zou hij misschien een schuimspoor achterlaten en zouden de mensen hem weer kunnen volgen. Dat wil hij niet. Hij wil niet opvallen. Hij is gewoon een zoveelste man op weg van het werk naar huis. Niemand hoeft te weten dat hij eerst een omweg neemt. Dus doucht hij als het regent enkel met water, zonder shampoo. Vandaag regent het niet en is er ook geen zon. Het is saai, guur weer. Toch gaat hij weer eerst naar het park. Pas daarna kan hij veilig naar huis. Dan pas is alles goed. Met grote stappen steekt hij de straat over, richting het park, ervoor oplettend dat hij niet op het wit van het zebrapad stapt.

Een vrouw loopt door het park, met haar boodschappentas in de hand. Gelukkig weegt het niet zo zwaar, daarom koos ze ook voor de route door het park. Die is net iets langer dan als ze gewoon langs de straat naar huis was gewandeld, maar ze houdt van de rust die het park uitstraalt. Ze weet niet waarom, maar ze voelt zich vrolijk vandaag. Ze kijkt om zich heen. Als ze niemand ziet, waagt ze het erop een paar passen te huppelen. En wat dan nog als iemand haar zou zien? Dan kijken ze maar raar. Misschien tovert ze dan wel een glimlach op een gezicht. Toch houdt ze er al na enkele meters mee op. In elk geval heeft ze een lach op haar eigen gezicht getoverd. Haar wangen zijn rood, door de combinatie van kou en plezier, haar haren pieken alle kanten op, haar boodschappentas zwaait heen en weer. Ze voelt zich uitgelaten, zonder specifieke reden, en maakt een pirouette. De reden is ook niet belangrijk, ze wil gewoon van dit gevoel genieten. Ze steekt haar neus in de lucht, strekt haar armen uit en snuift de geur van het groen op. Heerlijk. Ook al is het koud en guur buiten, ze besluit dat ze nog niet naar huis wil. In een impuls loopt ze het park weer uit. Ze ziet een man met grote passen de straat oversteken, op weg naar het park waar zij net vandaan komt. Hij lijkt gehaast te zijn, maar zij is dat niet. Zij heeft alle tijd. Ze slaat af naar de rivier. Hier heeft de wind vrij spel. Ze bokst zich eerst tegen de wind in en na een paar honderd meter draait ze zich om, waarna ze zich met haar armen wijd open laat meevoeren. Zelf hoeft ze nauwelijks iets te doen. Als ze maar in het juiste ritme haar voeten optilt, duwt de wind haar vanzelf vooruit. Lachend, haar haren helemaal in de war, met roodaangelopen wangen en verkleumde vingers die haar boodschappentas vasthouden, gaat ze uiteindelijk toch naar huis.

Een jongen klimt in een boom. Hij wil niet terug naar huis, waar zijn grote zus de baas over hem speelt. Hij heeft er genoeg van! Daarom is hij weggelopen. Niet voor altijd, gewoon voor even. Hij wil alleen zijn. Opdat niemand hem zou kunnen zien, klimt hij in een boom. Niemand kijkt ooit omhoog, zelfs niet die rare vrouw die voorbij huppelt als hij nog maar net tussen de bladeren (en dus uit het zicht) geklommen is. Ze heft haar gezicht wel naar de lucht, maar ze kijkt niet echt. Nee, niemand zou hem hier vinden. Misschien kan hij zelfs blijven zitten tot het helemaal donker is. Dan zullen zijn ouders ook al thuis zijn. Als hij er niet is, dan komt zijn zus in de problemen, dan zal ze moeten vertellen dat ze gemeen tegen hem deed en dat hij daarom weggelopen is. Hun ouders zouden boos worden op haar. Haar verdiende loon. Die gedachte geeft hem een warm gevoel, ondanks de kou buiten. Wraak. Nog steeds verongelijkt klimt hij nog een tak hoger. Hij besluit daar de rest van de avond te blijven zitten. Door de bladeren heen kijkt hij naar beneden. Er zijn niet veel mensen in het park. Na de huppelende vrouw van daarnet, heeft hij niemand meer gezien. Hij rilt. Het is erg koud als je stil zit. Bovendien moet hij zich goed vasthouden, zodat de plotse windvlagen hem niet uit de boom sleuren. Hoe lang zou hij al in de boom zitten? Vast al een tijdje. Zou hij al naar huis gaan? Hij kijkt om zich heen. Niemand te zien. Zouden ze hem straks komen zoeken? Hoe zouden ze weten waar te beginnen? Het is nu toch wel erg koud aan het worden. Bovendien wordt het ook al donker. Straks is het vast niet meer veilig om naar beneden te klimmen, ziet hij niet meer waar hij zijn voeten moet zetten. Als hij een korte eeuwigheid later nog steeds niemand ziet, geeft hij het maar op. Voorzichtig klimt hij uit de boom. Het laatste stuk springt hij naar beneden. Het is al bijna helemaal donker nu. Zijn ouders zullen vast al thuis en doodongerust zijn. Tevreden omdat hij zijn zus in de problemen heeft gebracht, wandelt hij het park uit, naar huis.

Een oude man kijkt toe vanachter het raam op de tweede verdieping. Hij zit comfortabel in zijn zetel, een kopje thee warmt zijn gerimpelde handen, waar de aders doorheen schijnen. Ooit waren die broze handen nog jong en sterk en klom hij ook in bomen. Jaloers kijkt hij toe hoe de jongen, zich onbespied wanend, hoger en hoger klimt en uiteindelijk ergens halverwege het bladerdek blijft zitten. Kon hij zelf ook nog maar in bomen klimmen... Maar de trap naar zijn appartement is al zo’n grote uitdaging voor zijn oude knoken dat hij meestal gewoon binnen blijft. Zelfs zijn boodschappen laat hij leveren. Dus zit hij vaak achter het raam naar de wereld te kijken, een wereld waar hij niet langer deel van uitmaakt. Hij is slechts een toeschouwer geworden. Weemoedig denkt hij terug aan vroeger, toen zijn lichaam nog niet zo koppig “nee” riep bij alles waar zijn geest enthousiast “ja!” op zei, toen hij er nog niet bij stilstond hoe waardevol het is om in een boom te kunnen klimmen als je daar zin in hebt. Nu kan dat niet meer, nu kan hij bijna niets meer. Een traan vol zelfmedelijden rolt langs zijn wang naar beneden. Ooit was hij net als die jongen. Kwam die tijd maar terug. Moeizaam staat hij op. Steunend op zijn looprek legt hij de paar meter naar de keuken af, waar hij nog wat thee zet. Als hij terug op post is voor het raam, is het al te donker geworden om nog veel te zien van de wereld daarbuiten. Toch blijft hij kijken, naar zijn herinneringen die in het raam weerspiegeld worden. Dat is beter dan tv kijken. Na enkele uren valt hij in slaap, de kop thee nog in zijn hand.