Buiten sneeuwt het. Verstrooid rommelt ze in de doos. Ze weet dat ze het beter niet doet, maar als ze zich melancholisch voelt, zoals nu, dan kan ze het soms toch niet laten om die doos even uit te halen. Er zitten allerlei verschillende voorwerpen in: sommige groot, de meeste klein. Eigenlijk doen de voorwerpen er niet toe, het zijn de herinneringen die eraan verbonden zijn, die belangrijk zijn. De voorwerpen op zich stellen niet veel voor.
Een oud badmintonpluimpje dat ooit wit was, maar intussen al lang grauw is verkleurd door het vele gebruik. Groene randjes aan de top verraden dat er ook mee in het gras werd gespeeld en niet enkel binnen in een sportzaal. Het donkerdere groen komt vast door de haag waar het pluimpje vaak in gemept werd. Ze hadden geen net, maar zij en Floor speelden het pluimpje zo hoog mogelijk naar elkaar over. Het was zelden windstil, dus vaak blies de wind het dan wat uit koers, waardoor het in de haag van de buurman terecht kwam. Veel pluimpjes konden ze gewoon niet terugvinden in het dichte groen, maar dit hebben ze blijkbaar kunnen redden.
Floor en zij speelden niet enkel badminton. Ze deden veel dingen samen: trampolinespringen, vogelnestjes bouwen van stro, waarna ze in de bomen klommen om die erin te zetten om de vogels te helpen, racetochtjes met de fiets, handstanden in de tuin,... De zon leek altijd te schijnen. Op een of andere manier zijn ze uit elkaar gegroeid. Ze snapt nog niet precies hoe dat ging, alleen dat hun vriendschap plots in het verleden lag.
Een vriendschapsbandje dat ze met speciale glittertouwtjes in rood, blauw en paars had gemaakt is het volgende voorwerp dat haar zoekende handen tegenkomen. Ze had het gemaakt voor Sandra, het nieuwe meisje in de klas naar wie ze erg was toegetrokken. Ze was een paar keer bij haar thuis geweest, waar een imposante piano midden in de woonkamer stond en ze hadden samen een aantal groepswerken gemaakt. Uiteindelijk had ze haar het met veel liefde gemaakte vriendschapsbandje nooit kunnen geven, want Sandra had heel plots moeten verhuizen toen haar ouders gingen scheiden. Er was geen gelegenheid meer geweest om afscheid te nemen. Ze was er kapot van geweest, maar zo'n dingen gebeurden nu eenmaal, hadden haar ouders gezegd. Niets aan te doen.
Dan is er ook nog een miniatuurversie van de toren van Pisa die ze samen met Sylvie in Italië gekocht had. Dat was in het laatste jaar van het middelbaar geweest. Nadien waren ze elk hun eigen weg gegaan. In een andere stad gaan studeren, elk andere vrienden gemaakt en elkaar uit het oog verloren. Te druk bezig met elk hun eigen leven te leiden.
Ze rommelt door de kleinere voorwerpen in de doos tot ze vindt wat ze zoekt: een kleine, fluffy, felroze sleutelhanger die ze eens van Silke voor haar verjaardag heeft gekregen. Wat is er met die vriendschap gebeurd? De ene dag was alles nog goed, waren ze samen naar een feestje geweest en de volgende hadden ze schreeuwende ruzie over wat er al dan niet gebeurd was tijdens dat feestje. Silke hield vol dat zij met haar aartsvijand nummer één had staan praten, terwijl zij had proberen uit te leggen dat ze er alleen maar langs was gelopen om naar het toilet te gaan, maar dat ze geen woord met hem had gewisseld. Een welles-nietesspelletje zonder uitzicht op enige overeenstemming. Er waren harde woorden gevallen, verwijten werden over en weer geslingerd. En toen was het voorbij. Zomaar. Had ze Silke dan zo verkeerd beoordeeld? Al die leuke momenten die ze samen gedeeld hadden, waren die een leugen geweest? Ah nee, ze moest ook niet overdrijven. Ze zou wel nooit weten waarom de boel toen zo onredelijk hard ontploft was. Ze waren vast gewoon toch twee totaal verschillende mensen gebleken, hun raakvlakken tectonische platen die een allesverwoestende aardbeving konden veroorzaken als ze te hard met elkaar in botsing kwamen.
Met een zucht stopt ze alle voorwerpen terug in de doos. Het heeft geen zin om bij deze verloren vriendschappen te blijven stilstaan. Ze legt de doos terug op de ijskoude zolder en loopt naar beneden. Straks komen Daisy en Elke langs. Dan kunnen ze samen een sneeuwman bouwen en de slappe lach krijgen om daarna binnen lekker op te warmen bij een kopje thee.
De verhalenspin
Er leeft een spin in mijn hoofd. Zoals alle spinnen weeft mijn spin webben. Maar het zijn geen gewone webben: mijn spin weeft verhalenwebben. Draadje per draadje, zin per zin. Ideeën die door mijn hoofd waaien blijven kleven en vallen ten prooi aan de spin, die ze lustig in haar web verweeft. Sommige webben zijn heel klein, bestaan uit slechts enkele draadjes. Andere nemen meer plaats in, overwoekeren mijn gedachten. Opdat het niet al te stoffig zou worden in mijn hoofd, heb ik dus besloten om de spinnenwebben uit te schrijven in de vorm van verhalen. En aangezien mijn spin voldoende voedsel nodig heeft, zijn ideeën altijd welkom, wie weet blijven ze plakken en zie je ze terug in een van de verhalen die ik post.
zondag 10 december 2017
woensdag 15 november 2017
Halloween
Pieter-Jan zuchtte terwijl hij in zijn auto stapte. Het
was al laat, later dan hij voorzien had. Hij kon best even bellen om te zeggen
dat zijn vrienden alvast konden vertrekken en dat hij zich dan later bij hen
zou aansluiten. De telefoon rinkelde een hele tijd voor hij werd opgenomen.
“Pieter-Jan! Waar zit je?” bulderde de stem van Casper in
zijn oor. “Ik vond mijn telefoon bijna niet in de lakens van mijn spokenpak!”
Casper was een joviale, goedlachse kerel, maar op dit moment bezorgde zijn
luide stem Pieter-Jan hoofdpijn.
“Luister, ik zal wat later zijn.”
“Ah, nee toch, wat moeten we zonder ons derde musketierspook?”
“Ja, ik weet het, maar een of andere idioot snapte niet waarom
we de geboortedatum op zijn identiteitskaart namen en niet de geboortedatum die
hij uit zijn duim zoog. Maar dat is mijn
eerste geboortedatum, het moet mijn twééde geboortedatum zijn,” zei hij in
een zeurderige stem, in imitatie van de klant. Dus moest ik hem een halfuur
lang proberen uit te leggen dat je maar één keer geboren kunt worden. Dat leek
die oen maar niet te snappen en toen was het al lang na sluitingstijd en nu ben
ik dus te laat. Maar goed, gaan jullie maar vast. Ik eet nog even iets, kleed
me om en dan vind ik jullie daar wel.”
“Wat een verhaal! We zien je inderdaad daar dan wel. Hoe
moeilijk kan het ook zijn om twee spoken te vinden op een halloweenfeestje?”
lachte Casper, voor hij inhaakte. De echo van zijn bulderlach bleef nog een
hele tijd in Pieter-Jans hoofd hangen. Eigenlijk had hij niet zoveel zin om te
gaan. Het was een zware dag geweest op het werk met schijnbaar dubbel zoveel
lastige klanten als anders. Hij had meer zin om rustig thuis te blijven en een
horrorfilm op te zetten. Op Halloween draaiden ze er genoeg op de tv. Maar hij
had beloofd om samen met Casper en Esther uit te gaan. De drie musketierspoken,
oftewel drie mensen die een wit kleed over hun hoofd gooiden en met houten stokken
die sabels moesten voorstellen zouden zwaaien.
Een douche en twee boterhammen met salami later ging hij
op zoek naar zijn witte laken. Aangezien het een oud laken was, dat al wat grauw was geworden, had hij het gisteren nog vlug in de was gegooid. Nu haalde hij het uit de droogkast. Helaas merkte hij dat het vast niet zo slim was geweest om eerst de gaten voor de ogen erin te knippen en het pasdaarna te wassen, want die twee kleine, ronde gaatjes waren één groot, onregelmatig gevormd gat geworden. Hij vloekte. Dit was geen spokenkostuum meer, dit was een gerafelde doek. Niemand zou er ook maar in de verste verte een spook in zien. Wat nu? Dan toch maar zijn zware, zwarte mantel om en als vampier gaan? Het zou wel moeten, want hij had geen ander laken dat in aanmerking kwam om gepromoveerd te worden tot spokenhuid en zich niet verkleden om naar een halloweenfeestje te gaan was flauw. Hij had ook nog wel ergens een oude wandelstok van zijn
grootvader liggen, met zo’n bolvormige kop, die zou zijn nieuwe kostuum vast
goed aanvullen. Casper en Esther zouden de twee spokenmusketiers moeten zijn en dan zou hij wel de vampiermusketier zijn. Met zo'n wandelstok kon je trouwens ook goed in het rond zwaaien, testte hij even uit.
Even kijken, waar had hij dat adres ook alweer gelaten? Hij rommelde even tussen alle papieren die op de tafel in de woonkamer lagen, maar besloot toen dat hij het zich zo ook wel kon herinneren. Hij wist nog dat het in de Langestraat was, alleen het huisnummer wist hij niet meer zeker, maar een halloweenfeestje zou vast opvallen: hij hoefde enkel de verklede mensen te volgen.
Inderdaad bleek het niet zo moeilijk te zijn toen hij de straat eenmaal was ingereden. Voor een grote villa stonden een heel aantal auto's geparkeerd, waar heksen en weerwolven uitstapten. En zo te zien was hij bijlange na niet de enige vampier. Hij parkeerde zijn kleine autootje helemaal achteraan de oprit, waar nog een plekje vrij was. Toen hij al halverwege de oprit op weg naar het huis was, besefte hij dat hij zijn wandelstok was vergeten, dus haastte hij zich terug. Die ene minuut langer konden Casper en Esther nog wel wachten.
Eenmaal binnen keek hij zo goed en zo kwaad als het ging over de hoofden heen, op zoek naar twee witte verschijningen die zijn vrienden moesten voorstellen. Hij zag hen nergens. Hen kennende, hadden ze zich vast ergens verstopt om tevoorschijn te springen en luid "Boe!" te roepen als hij langs hen liep. Dus zuchtte hij eens diep en drong hij zich dieper het feestgewoel in.
"Glaasje kinderbloed?" kakelde een heks. "Je bent toch een vampier he?"
"Eh... Ja... Ja, ik ben een vampier," antwoordde hij, wijzend naar zijn kostuum.
"Hier." Ze duwde hem een glas in handen met daarin een rode drank die vast wijn was.
Om de heks, die hem om een of andere reden wat wantrouwig opnam, tevreden te stellen, nam hij een slokje. Meteen daarna spuugde hij het echter terug uit. Dat smaakte echt naar bloed!
"Verkeerde bloedgroep," sputterde hij, terwijl hij het glas teruggaf aan de heks en zich uit de voeten maakte. Zo realistisch hoefde het voor hem nu ook weer niet.
Nadat hij zich tussen een groepje weerwolven door had gewrongen, stond hij midden in de kamer. Zoekend keek hij om zich heen. Waar waren ze? Kon het echt zo moeilijk zijn om twee mensen in witte lakens te spotten? Blijkbaar wel in deze bonte bende... Sommige kostuums waren trouwens erg realistisch. Daar was vast veel tijd in gekropen! Bewonderend keek hij naar de tanden van een mede-vampier. Je kon eigenlijk echt niet zien dat het valse waren. De man zag hem kijken. "Mooi hé," glunderde hij ijdel. "Ik heb ze speciaal voor dit feestje laten bijslijpen. En ik was er zo tevreden over, dat ik de tandarts die het gedaan heeft maar niet heb gebeten."
"O, eh, goed van je," antwoordde Pieter-Jan ietwat ongemakkelijk. "Heb je toevallig geen twee spoken gezien?" vroeg hij hem toen.
"Spoken? Die zijn toch onzichtbaar!"
Pieter-Jan zuchtte. "Ik bedoel twee mensen, verkleed als spoken."
"Grapjas! Nu had je me bijna te pakken!" lachte hij, en na Pieter-Jan nog een klap op zijn schouder te hebben gegeven, verdween hij in de massa. Daar moest hij dus duidelijk geen hulp van verwachten. Wat een rare kwibus.
"Wil je een vingerkootje?" bood een heks hem een plateau met hapjes aan.
De "wijn" nog vers in zijn gedachten , sloeg Pieter-Jan het aanbod maar beleefd af. Alle eetlust verging hem trouwens als hij naar het dienblad keek: de koks waren zelfs realistisch genoeg geweest om geronnen bloed na te maken met kleurstof! Hij rilde. Het zou wel allemaal bij Halloween horen, maar dit feestje ging daar behoorlijk ver in. Als hij Casper en Esther gevonden had, zou hij toch voorstellen om ergens anders heen te gaan, waar ze iets behoorlijks konden eten en drinken. Maar dan moest hij hen eerst vinden. Hij kon natuurlijk proberen om hen te bellen, maar in al dit lawaai zouden ze hun telefoon toch nooit horen. En bovendien had hij die blijkbaar in de auto laten liggen, merkte hij, toen hij automatisch zijn hand naar zijn broekzak onder zijn vampierencape had laten gaan.
Nog steeds speurde hij de ruimte af, toen er plots iemand op het podium achteraan in de zaal klom.
"Welkom, lieve vrienden," klonk het door de micro kunstmatig versterkte stemgeluid. "Vanavond vieren we feest, want vanavond is de enige avond van het jaar waarop we ons niet hoeven te verbergen en we ons gewoon onder de mensen kunnen mengen. Vanavond kijkt niemand raar op als er vampiers of heksen of weerwolven in het straatbeeld te zien zijn. Toch wel attent van hen om het ons deze ene avond per jaar zo gemakkelijk te maken!" Algemeen gegrinnik volgde. "Vergeet niet om jullie stem voor 'Monster van het Jaar' in te dienen. Over een uur maken we bekend wie er zich dit jaar volgens jullie het meest verdienstelijk heeft gemaakt op vlak van kinderen angst aanjagen, mensen om zeep helpen of algemeen gruwelijkheden begaan. Het belooft opnieuw een spannende verkiezing te worden!"
Wat zei die man toch allemaal? Pieter-Jan snapte er niets van. Toen dacht hij terug aan de wijn, die zo verdacht veel naar echt bloed smaakte, naar de levensechte vingerkootjes, naar de scherpe tanden van de vampier, van wie je niet kon zien dat ze vals waren,... Bedoelde hij... Dat kon toch niet?!
In elk geval zag het er niet naar uit dat Casper en Esther hier waren. Misschien moest hij toch maar even terug naar zijn auto en hen opbellen om te vragen of hij echt wel op het juiste adres was. Want het begon er meer en meer naar uit te zien dat hij op een feestje was beland waar hij eigenlijk niet thuishoorde.
Terwijl een menigte zich om de stembus verdrong, liep Pieter-Jan zo onopvallend mogelijk richting de uitgang. Hij wilde zo weinig mogelijk de aandacht trekken.
"He, jij daar!" Het was de heks met de kakelstem van aan de ingang, die hem het glas wijn had aangeboden. "Ik heb andere bloedgroepen gehaald, wil je een glas AB positief?"
"Eh, nee, bedankt, ik moet even..." Hij zocht naar een goed excuus.
"O, ik snap het al, als de nood hoog is, dan is ze hoog," kakelde de heks. "Ik zie je straks wel, ik zal er eentje voor je opzij houden!"
"Ja, ehm, bedankt!" Zwetend liep Pieter-Jan naar de uitgang. Hij rende bijna naar zijn auto en deed de deuren van binnenuit op slot. Even op adem komen. Zijn telefoon lag op de passagiersstoel. Een nieuw bericht knipperde hem toe. Hij klikte het open. Het was Casper, die hem nog even het correcte adres had doorgestuurd: Langestraat 526. Vanuit zijn auto kon Pieter-Jan nog net het huisnummer zien dat op het huis stond: 108. Hij was dus toch op het verkeerde feestje. Vlug startte hij zijn auto en reed hij achterwaarts van de oprit. Casper en Esther zouden hem nooit geloven als hij hen dit vertelde! Hij was op een halloweenfeestje geweest met echte heksen en vampiers! Nu hij het huis achter zich had gelaten, kon hij er best mee lachen. Die mensen hadden Halloween wel erg op de spits gedreven. Tenminste, dat nam hij aan. Want de andere optie... Dat kon toch niet?
Even kijken, waar had hij dat adres ook alweer gelaten? Hij rommelde even tussen alle papieren die op de tafel in de woonkamer lagen, maar besloot toen dat hij het zich zo ook wel kon herinneren. Hij wist nog dat het in de Langestraat was, alleen het huisnummer wist hij niet meer zeker, maar een halloweenfeestje zou vast opvallen: hij hoefde enkel de verklede mensen te volgen.
Inderdaad bleek het niet zo moeilijk te zijn toen hij de straat eenmaal was ingereden. Voor een grote villa stonden een heel aantal auto's geparkeerd, waar heksen en weerwolven uitstapten. En zo te zien was hij bijlange na niet de enige vampier. Hij parkeerde zijn kleine autootje helemaal achteraan de oprit, waar nog een plekje vrij was. Toen hij al halverwege de oprit op weg naar het huis was, besefte hij dat hij zijn wandelstok was vergeten, dus haastte hij zich terug. Die ene minuut langer konden Casper en Esther nog wel wachten.
Eenmaal binnen keek hij zo goed en zo kwaad als het ging over de hoofden heen, op zoek naar twee witte verschijningen die zijn vrienden moesten voorstellen. Hij zag hen nergens. Hen kennende, hadden ze zich vast ergens verstopt om tevoorschijn te springen en luid "Boe!" te roepen als hij langs hen liep. Dus zuchtte hij eens diep en drong hij zich dieper het feestgewoel in.
"Glaasje kinderbloed?" kakelde een heks. "Je bent toch een vampier he?"
"Eh... Ja... Ja, ik ben een vampier," antwoordde hij, wijzend naar zijn kostuum.
"Hier." Ze duwde hem een glas in handen met daarin een rode drank die vast wijn was.
Om de heks, die hem om een of andere reden wat wantrouwig opnam, tevreden te stellen, nam hij een slokje. Meteen daarna spuugde hij het echter terug uit. Dat smaakte echt naar bloed!
"Verkeerde bloedgroep," sputterde hij, terwijl hij het glas teruggaf aan de heks en zich uit de voeten maakte. Zo realistisch hoefde het voor hem nu ook weer niet.
Nadat hij zich tussen een groepje weerwolven door had gewrongen, stond hij midden in de kamer. Zoekend keek hij om zich heen. Waar waren ze? Kon het echt zo moeilijk zijn om twee mensen in witte lakens te spotten? Blijkbaar wel in deze bonte bende... Sommige kostuums waren trouwens erg realistisch. Daar was vast veel tijd in gekropen! Bewonderend keek hij naar de tanden van een mede-vampier. Je kon eigenlijk echt niet zien dat het valse waren. De man zag hem kijken. "Mooi hé," glunderde hij ijdel. "Ik heb ze speciaal voor dit feestje laten bijslijpen. En ik was er zo tevreden over, dat ik de tandarts die het gedaan heeft maar niet heb gebeten."
"O, eh, goed van je," antwoordde Pieter-Jan ietwat ongemakkelijk. "Heb je toevallig geen twee spoken gezien?" vroeg hij hem toen.
"Spoken? Die zijn toch onzichtbaar!"
Pieter-Jan zuchtte. "Ik bedoel twee mensen, verkleed als spoken."
"Grapjas! Nu had je me bijna te pakken!" lachte hij, en na Pieter-Jan nog een klap op zijn schouder te hebben gegeven, verdween hij in de massa. Daar moest hij dus duidelijk geen hulp van verwachten. Wat een rare kwibus.
"Wil je een vingerkootje?" bood een heks hem een plateau met hapjes aan.
De "wijn" nog vers in zijn gedachten , sloeg Pieter-Jan het aanbod maar beleefd af. Alle eetlust verging hem trouwens als hij naar het dienblad keek: de koks waren zelfs realistisch genoeg geweest om geronnen bloed na te maken met kleurstof! Hij rilde. Het zou wel allemaal bij Halloween horen, maar dit feestje ging daar behoorlijk ver in. Als hij Casper en Esther gevonden had, zou hij toch voorstellen om ergens anders heen te gaan, waar ze iets behoorlijks konden eten en drinken. Maar dan moest hij hen eerst vinden. Hij kon natuurlijk proberen om hen te bellen, maar in al dit lawaai zouden ze hun telefoon toch nooit horen. En bovendien had hij die blijkbaar in de auto laten liggen, merkte hij, toen hij automatisch zijn hand naar zijn broekzak onder zijn vampierencape had laten gaan.
Nog steeds speurde hij de ruimte af, toen er plots iemand op het podium achteraan in de zaal klom.
"Welkom, lieve vrienden," klonk het door de micro kunstmatig versterkte stemgeluid. "Vanavond vieren we feest, want vanavond is de enige avond van het jaar waarop we ons niet hoeven te verbergen en we ons gewoon onder de mensen kunnen mengen. Vanavond kijkt niemand raar op als er vampiers of heksen of weerwolven in het straatbeeld te zien zijn. Toch wel attent van hen om het ons deze ene avond per jaar zo gemakkelijk te maken!" Algemeen gegrinnik volgde. "Vergeet niet om jullie stem voor 'Monster van het Jaar' in te dienen. Over een uur maken we bekend wie er zich dit jaar volgens jullie het meest verdienstelijk heeft gemaakt op vlak van kinderen angst aanjagen, mensen om zeep helpen of algemeen gruwelijkheden begaan. Het belooft opnieuw een spannende verkiezing te worden!"
Wat zei die man toch allemaal? Pieter-Jan snapte er niets van. Toen dacht hij terug aan de wijn, die zo verdacht veel naar echt bloed smaakte, naar de levensechte vingerkootjes, naar de scherpe tanden van de vampier, van wie je niet kon zien dat ze vals waren,... Bedoelde hij... Dat kon toch niet?!
In elk geval zag het er niet naar uit dat Casper en Esther hier waren. Misschien moest hij toch maar even terug naar zijn auto en hen opbellen om te vragen of hij echt wel op het juiste adres was. Want het begon er meer en meer naar uit te zien dat hij op een feestje was beland waar hij eigenlijk niet thuishoorde.
Terwijl een menigte zich om de stembus verdrong, liep Pieter-Jan zo onopvallend mogelijk richting de uitgang. Hij wilde zo weinig mogelijk de aandacht trekken.
"He, jij daar!" Het was de heks met de kakelstem van aan de ingang, die hem het glas wijn had aangeboden. "Ik heb andere bloedgroepen gehaald, wil je een glas AB positief?"
"Eh, nee, bedankt, ik moet even..." Hij zocht naar een goed excuus.
"O, ik snap het al, als de nood hoog is, dan is ze hoog," kakelde de heks. "Ik zie je straks wel, ik zal er eentje voor je opzij houden!"
"Ja, ehm, bedankt!" Zwetend liep Pieter-Jan naar de uitgang. Hij rende bijna naar zijn auto en deed de deuren van binnenuit op slot. Even op adem komen. Zijn telefoon lag op de passagiersstoel. Een nieuw bericht knipperde hem toe. Hij klikte het open. Het was Casper, die hem nog even het correcte adres had doorgestuurd: Langestraat 526. Vanuit zijn auto kon Pieter-Jan nog net het huisnummer zien dat op het huis stond: 108. Hij was dus toch op het verkeerde feestje. Vlug startte hij zijn auto en reed hij achterwaarts van de oprit. Casper en Esther zouden hem nooit geloven als hij hen dit vertelde! Hij was op een halloweenfeestje geweest met echte heksen en vampiers! Nu hij het huis achter zich had gelaten, kon hij er best mee lachen. Die mensen hadden Halloween wel erg op de spits gedreven. Tenminste, dat nam hij aan. Want de andere optie... Dat kon toch niet?
zondag 29 oktober 2017
De eenzame schoen
Giechelend vielen vier meisjes de nog bijna lege treinwagon binnen. Een vrouw die zat te lezen keek even op van haar boek en glimlachte om al dat jong geweld. Een man in een pak gluurde
verstoord naar de vier meiden, die intussen een plekje gevonden hadden aan het andere einde van de wagon. Hij stak demonstratief zijn oortjes in, maar de vier merkten dat zelfs niet, ze letten enkel op zichzelf, hun omgeving
was slechts decor.
“Zag je hoe hij keek?”
“Ja! Echt gewoon te gek!”
“Die reactie was fantastisch, beter dan ik had verwacht! Goed gedaan van je Marieke!” voegde Sandra eraan toe. Zij was de grootste van de vier: ze stak een halve kop boven de
anderen uit, maar misschien kwam dat ook omdat zij als enige op hakken liep, wat haar een volwassen uitstraling moest geven. Ze had zich ook opgemaakt, maar het was te zwaar voor iemand van ongeveer vijftien. Ook Marieke,
het blonde meisje, leek zich niet echt verzoend te hebben met haar in hun ogen nog te jonge leeftijd. Ze had haar haar in een losse paardenstaart gedaan en droeg een jeansbroek met daarboven een topje dat net niet te veel
liet zien. Enkel Anouk, de brunette, zag er niet uit als een misplaatste en bij voorbaat mislukte imitatie van een twintiger. Ze was niet zo extreem mager als de twee anderen en droeg een vormeloze jurk, wellicht in een poging
haar gezondere lijn te verbergen. Het laatste meisje, Joke, was nogal onopvallend gekleed. Ze had een jeansbroek en een doodgewone, rode trui aan. Zij bewoog zich elegant, maar ook weer niet zo dat ze alle ogen naar zich toe
trok. Een heel gewoon tienermeisje.
“Daar zijn we mooi van verlost. Hij zal voortaan wel twee keer nadenken eer hij onschuldige meisjes lastigvalt!”
Geërgerd stak de man de oortjes nog wat dieper in zijn orgen. Konden die vier het volume niet wat naar beneden draaien? Daarom draaide hij het volume van zijn muziek dan maar wat omhoog,
waarna hij zich opnieuw op zijn werk probeerde te concentreren.
“Hé, wat is dat?” vroeg Marieke plots, terwijl ze een schoen van onder de stoel tegenover haar uithaalde.
“Een schoen, duh!” lachte Anouk.
“Ja, dat zie ik ook wel, maar wie laat er nu een schoen achter op de trein?”
“Ligt er geen tweede?”
Alle vier bukten ze zich om onder de stoelen te kijken.
“Nee, die schoen is alleen. Eenzaam en in de steek gelaten!” riep Marieke dramatisch uit. Alle drie schoten ze in de lach.
“Arme schoen, waarom zou hij achtergelaten zijn?” vroeg Sandra. “En wat is er met zijn broertje gebeurd?” Broertje, niet zusje, want het was een mannenschoen: een
beige sneakers met witte veters, redelijk nieuw, want nog nauwelijks grauw geworden.
“Misschien is hij uit iemands bagage gevallen?” opperde Marieke. “Dan komt de eigenaar straks op zijn bestemming aan en zit er maar één schoen meer in zijn
valies.”
“De schoen ligt niet heel ver van de deur, misschien is iemand hem verloren terwijl hij uitstapte? De veters zaten los, hij schoot uit zijn schoen, die van zijn voet viel, maar de
deuren zouden bijna weer dicht gaan, dus hij moest wel naar buiten springen, zonder schoen?” Dat is Anouks versie.
“Of het was iemand met maar één been. En die deed zijn schoen uit omdat... omdat...”
“Omdat hij zijn voeten comfortabel op de bank wilde leggen,” vulde Sandra aan.
“Zijn voet bedoel je, enkelvoud.” Opnieuw brak er hilariteit uit, waardoor de man in de verste hoek van de wagon zijn oortjes nog wat dieper in zijn oren probeerde te duwen
terwijl hij hen vuile blikken toewierp.
“Jullie denken te simplistisch,” zei Joke plots. “Die schoen heeft vast een heel avontuur meegemaakt. Luister.”
De andere drie gingen er goed bij zitten. Marieke schoof haar schoenen van haar voeten, zonder eerst haar veters los te knopen, zodat ze haar benen onder zich kon vouwen en toch geen ruzie
zou krijgen met de conducteur.
“Zorg maar dat je die straks niet vergeet,” lachte Sandra.
“Dames en heren,” kondigde Joke aan. “Ahum, dames, bedoel ik,” verbeterde ze zichzelf na een blik te hebben geworpen op de enige man in de wagon die demonstratief
niét aan het luisteren was en naar zijn scherm staarde.
“Het verhaal van de eenzame schoen!”
Marieke, Sandra en Anouk barstten in lachen uit omwille van het theatrale gebaar waarmee Joke haar woorden vergezeld liet gaan. Het klonk als een aankondiging in een circus!
“Er was eens... Zo beginnen alle goeie verhalen, nietwaar? Goed, er was dus eens...”
“Een schoen!” riep Anouk uit.
Even was er grote hilariteit, maar toen maanden de Marieke en Sandra Anouk tot zwijgen. Ze wilden horen wat Joke nu weer had verzonnen.
“Er was eens,” begon deze laatste onverstoorbaar opnieuw, “een tovenaar. Natuurlijk mocht niemand weten dat hij kon toveren. Stel je eens voor wat ze met hem zouden doen
als ze het wisten. Hij zou opgesloten worden in een psychiatrisch ziekenhuis als ze hem niet geloofden of, en dat zou nog erger zijn, als ze hem wel geloofden, zouden ze hem ook opsluiten om allemaal tests op hem te kunnen
uitvoeren om te ontleden waar zijn toverkracht vandaan komt en of ze die zouden kunnen aftappen zodat anderen ook zouden kunnen toveren.
Nochtans is kunnen toveren niet altijd een pretje. Zeker niet als niemand mag weten dat je kunt toveren. Hij moest bijvoorbeeld opletten dat hij nooit de hik zou krijgen in het openbaar,
want dan kwamen er bij elke hik luchtbellen uit zijn mond. Of als hij te veel gegeten had en hij moest een boertje laten, dan kwam er niet alleen lucht uit zijn mond, maar vaak ook bloemen of andere onzinnigheden. Heel vervelend!
Ja, lach maar,” zei Joke toen de drie andere meiden begonnen te gniffelen. “Beeld je eens in dat je tegenover iemand zit en dat die een boertje laat en een tel later een rode
roos in zijn handen houdt. Wat moet hij doen, je die aanbieden?”
Nu schoten ze pas echt in de lach.
“Niet dus. Jonas, want zo heette de tovenaar, probeerde zijn toverkrachten zoveel mogelijk te verbergen. Daarom at hij nooit in het openbaar, stel je voor dat hij moest boeren of
de hik zou krijgen!
Nu, Jonas kon ook teleporteren en dat was natuurlijk wel handig. Hij kon ‘s ochtends langer in zijn bed blijven liggen voor hij naar zijn werk moest, want hij hoefde niet met de auto
in de file te gaan staan of de trein te nemen, met alle bijbehorende vertragingen.”
“Waarom moest hij werken als hij kon toveren? Had hij een gewone job of een speciale tovenaarsbaan?” onderbrak Marie Jokes verhaal.
“Hij moest gewoon gaan werken, net zoals iedereen. Geld kun je niet toveren en als het wel kon, dan was het verdacht geweest en had hij vast al heel snel de belastingsinspectie op
zijn dak gekregen.”
“Die had hij toch kunnen omkopen?” merkte Sandra op.
“Dat was een te groot risico. Niemand mocht het weten, weet je nog? In elk geval... Hij kon dus ‘s ochtends langer uitslapen omdat hij gewoon naar het werk teleporteerde. Het
enige probleem was dat zijn collega’s zich na een tijdje vragen begonnen te stellen over hoe hij telkens uit de toiletten kon komen zonder dat iemand hem had zien binnengaan. Sterker nog, zonder dat iemand hem voordien
op de gang of op de parking was tegengekomen! En wie ging er nu met zijn aktentas mee naar het toilet? Die zet je normaal toch eerst af aan je bureau, terwijl je ook alvast je computer opstart?
Goed, naar het werk teleporteren werd dus te gevaarlijk en daarom besloot Jonas dan maar om de trein te beginnen nemen naar het werk. Maar hij wilde niet zo vroeg moeten opstaan, dus teleporteerde
hij elke ochtend naar het toilet in de trein, vlak voor die zou aankomen in het station. Dat was een beetje lastig, aangezien dat wilde zeggen dat hij moest teleporteren naar een bewegende locatie. En als hij het verkeerd
zou doen, zou hij misschien midden op de sporen belanden. Of als hij er maar een metertje naast zat, dan zou hij terecht komen boven op de schoot van een andere passagier!”
Opnieuw gierden de drie luisterende meiden het uit van het lachen.
“Stel je voor dat er plots een knappe bink uit het niets op je schoot zat! Daar zou ik geen bezwaar tegen hebben!” merkte Anouk bijdehand op.
Joke ging echter onverstoorbaar door met haar verhaal: “Nu, hij moest dus zorgen dat hij goed wakker was voor hij teleporteerde, anders kon het wel eens verkeerd gaan. Dat ging een
tijdje goed, maar op een dag was hij wat aan de late kant. Hij had een ontbijtmeeting die ochtend met de grote baas en hij moest dus een halfuur vroeger dan gewoonlijk op zijn werk zijn, omdat die vergadering zo vroeg begon.
Dus hij had zijn wekker wat vroeger gezet, want hij kende geen toverspreuk om op een bepaald uur wakker te worden. Die had hij beter wel gekend, want hij sliep door zijn wekker heen. Hij werd wakker even voor het gewone uur,
wat wilde zeggen dat hij nog exact een kwartier de tijd had om op zijn werk te geraken in plaats van het gewone halfuur. Gelukkig hoefde hij niet te ontbijten, aangezien er daar ontbijt voorzien zou zijn. Hij toverde snel
zijn kleren naar zich toe en toen teleporteerde hij naar de trein. Hij kwam net naar buiten uit het toilet, dat er die dag zelfs voor een toilet op de trein extreem vuil had uitgezien: er hing zelfs stront aan de muren!”
“Eèèèèh bah!”
“Dus daar wilde hij zo snel mogelijk weg. Hij stapte de drukke wagon in, maar hij had zijn veters nog niet dichtgeknoopt omdat hij zo gehaast was. Zijn schoenen zaten dus wat los
aan zijn voeten, waardoor hij goed moest opletten dat hij ze niet per ongeluk aftrapte. En toen merkte hij dat hij op de verkeerde trein zat! In zijn haast had hij er niet aan gedacht dat het treinschema op dit vroegere uur
anders was dan op zijn gewone uur. Wat moest hij nu? Het was al een hele tijd geleden dat hij nog eens rechtstreeks naar het werk geteleporteerd had en nood brak wet, vond hij. Als hij het niet deed, zou hij echt te laat komen.
Teruggaan naar dat toilet wilde hij niet, dat was echt te vies. Dus zocht hij een rustig plekje, wat nog niet meeviel in die drukte. Toen hij dacht dat niemand keek, hurkte hij neer tussen twee zetels. Als iemand hem zag verdwijnen,
zou die zijn ogen vast toch niet geloven. En evenmin zou iemand anders het geloven als die persoon het vertelde. Dit waren mensen die hij wellicht nooit meer zou zien. Dus nam hij het risico en teleporteerde hij vanuit zijn
gehurkte positie tussen twee zetels in naar zijn werk. Helaas trapte er net op dat moment een van de andere passagiers, die hem dus inderdaad niet had zien zitten, op zijn schoen, waardoor die bleef staan, terwijl de voet
er wel uit floepte, mee met Jonas naar zijn werk. Jonas kwam dus op tijd aan, maar met maar één schoen. En de passagier die zich wilde verontschuldigen bij de persoon op wiens voet hij had gestaan, kwam tot de
ontdekking dat hij enkel op een schoen had getrapt, waar geen eigenaar meer in zat. Eigenaardig, wie verliest er nu een enkele schoen op de trein? Schouderophalend had hij de schoen laten liggen, wie weet kwam iemand hem nog
zoeken.”
“Hoe legde Jonas aan zijn baas uit dat hij maar één schoen aanhad?” vroeg Sandra.
“Tja... Dat was nog een probleem... Toen hij op zijn werk aankwam en merkte dat hij maar één schoen aanhad, panikeerde hij natuurlijk heel even. Maar toen besloot hij
om de andere schoen ook maar uit te doen en vlug naar de vergaderzaal te gaan. Met een beetje geluk was hij er nog als eerste en kon hij gaan zitten en zijn voeten onder tafel steken voor iemand kon zien dat hij op zijn kousen
rondliep.”
Intussen was de trein op hun bestemming aangekomen, enkele stations verderop. Marieke deed vlug haar schoenen weer aan en de vier meiden stapten giechelend uit de trein, nog volop aan het
discussiëren over de tovenaar die met één schoen aan op zijn werk was verschenen.
De vrouw zat nog steeds met haar boek in haar handen. Voor het eerst sinds de tieners waren ingestapt, sloeg ze weer een pagina om. De man in het pak haalde opgelucht zijn oortjes uit:
eindelijk weer rust! En de schoen, die bleef eenzaam achter op de plek waar de meisjes hadden gezeten.
donderdag 14 september 2017
Het draakje dat geen vuur kon spuwen
Er was eens, lang lang geleden in een land ver van hier een klein draakje. Nu ja, klein… Voor een draak dan, want het draakje was nog altijd zo groot als een kasteel. Het leefde in de bergen en kon daar naar hartenlust spelen en vliegen en wat draken nog maar meer doen. Maar het kon geen vuur spuwen. Het probeerde wel: dan ademde het heel diep in door zijn neus en blies daarna alle lucht in één keer uit zijn mond naar buiten. Dat veroorzaakte een gigantische windhoos, die bomen ontwortelde en kilometers ver meesleurde, maar geen vuur.
Op een dag - is dat niet wanneer alle verhalen beginnen: op een dag? - besloot het draakje om zijn vertrouwde bergen te verlaten en op zoek te gaan naar zijn vuur. Alle bomen in zijn domein waren al ontworteld door zijn vergeefse pogingen om vuur te kunnen ademen en het landschap zag eruit alsof er een woest beest had huisgehouden. Wat in feite ook zo was.
Dus draaide het draakje het de rug toe en vloog het naar het zuiden. Daar was het warmer, had hij gehoord, dus daar zou er misschien wel vuur te vinden zijn. Met enkele krachtige slagen van zijn grote, groene vleugels liet hij de bergen algauw achter zich.
Hij kon natuurlijk niet eeuwig blijven vliegen: ‘s avonds landde hij om een comfortabel plekje uit te zoeken waar hij kon slapen. Hij leerde al vlug om, als er mensen aankwamen, zich plat op de grond te leggen, met zijn poten onder zich, zijn gezicht naar beneden gericht en een bolle rug op te zetten. Dan dachten de mensen dat hij een heuvel was. Meestal ontweken ze hem, omdat ze geen zin hadden in de klim, maar sommigen wandelden recht over hem heen. Als ze dan later achteromkeken, dan was de heuvel die ze beklommen hadden plots verdwenen. “We moeten al verder gegaan zijn dan we dachten,” zeiden ze dan bij zichzelf terwijl ze hun schouders ophaalden. En ze wandelden verder.
Een keer, toen het al avond werd, besloot het draakje om het er maar bij te laten voor die dag. Hij zocht een leuk plekje uit en nestelde zich tussen de natuurlijke glooiingen van het landschap in. Net toen hij al bijna sliep, voelde hij voeten van zijn linkervoorpoot over zijn schouder naar zijn rug klimmen. Ondanks de neiging om zich nog eens goed uit te rekken, deed hij zijn best om stil te blijven liggen. Lang zouden ze er niet over doen om de overkant te bereiken en verder te trekken. Toen hielden de voeten plots halt. Hij voelde dat de mensen op zijn rug wat aan het rommelen waren en vroeg zich af wat ze in godsnaam aan het doen waren. O nee, misschien hadden ze besloten om de nacht op zijn rug door te brengen! Ineens voelde hij een stekende pijn net onder zijn schouder. Door de schrik van die plotselinge pijn vergat hij om stil te zitten en schokte hij omhoog. Een schreeuw en roffelende voeten op zijn rug vertelden hem dat de mensen op de vlucht sloegen. “Een aardbeving!” riepen ze, terwijl ze zich zo snel mogelijk uit de voeten maakten. Hun tent en de piket die ze in de schouder van het draakje hadden geslagen, lieten ze achter. Het draakje wachtte tot ze uit het zicht waren, beet zijn tanden op elkaar en trok brullend van de pijn de piket uit zijn schouder, waarna hij die met tent en al wegslingerde, de mensen achterna.
Na een aantal dagen verandert het landschap onder hem terwijl hij verder vliegt. Algauw is er niets anders te zien dan een grote zandvlakte, enkel doorbroken door rotsformaties. Het is verstikkend heet. Hier moet er wel ergens vuur te vinden zijn, denkt het draakje. Dus daalt het af en maakt het een elegante landing in het zand, voor zover een draak zo groot als een kasteel elegant kan landen tenminste: het zand stuift op naar alle kanten, maar zijn vier poten staan stevig in het zand. En toen stond het draakje middenin de woestijn. Wat nu? Waar was het vuur? De lucht voelde zo heet aan, de mond van het draakje was helemaal droog. Dat was het! Misschien was het hier wel zo warm dat hij eindelijk vuur zou kunnen spuwen! Dus ademde het draakje heel diep in, tot hij dacht dat zijn longen in brand stonden en nog wat langer en daarna blies hij alle lucht in één keer naar buiten. Zand stoof op tot een heuse zandstorm, zelfs enkele kleinere rotsblokken werden de lucht in gezwierd om daarna met een grote plof terug te landen, wat alleen maar meer zand deed opwaaien. Een kwartier lang kon je geen hand voor ogen zien omdat er zoveel zand in de lucht was. Maar er was geen vuur ontstaan. Opnieuw was het draakje er niet in geslaagd om vuur te ademen.
Misschien is het hier toch nog niet warm genoeg, dacht het draakje moedeloos, want hij zweette zo hard dat het water met liters tegelijk van hem afstroomde en er tijdelijke rivieren in de woestijn ontstonden, tot het zweet werd opgeslorpt door het eeuwige zand. Dus trok het verder naar het zuiden.
Plots doemde er in de verte een stad op waar een aantal hoge torens met spitse toppen uitstaken. Eerst wilde het draakje er in een grote boog rond vliegen, maar toen zag het plots iets wat zijn aandacht trok: was dat een wolk van vuur die uit de nauwe straatjes opsteeg? En nog eens. En nog eens. Ja hoor, dat leek echt vuur te zijn! Nieuwsgierig vloog het draakje erop af. Zou er daar een andere draak zijn die hem kon leren om vuur te spuwen? Hij hoopte het zo hard! Maar toen hij boven het stadje vloog, zag hij geen draak. Hij zag enkel maar een grote groep mensen die op een afstandje in een kring stonden rond een man met een brandende fakkel in zijn hand. De man was erg gek gekleed: hij had enkel een kleurrijke broek met lange broekspijpen die in twee punten eindigden aan. Zijn bovenlichaam was ontbloot, vast om te tonen dat hij niet bang was van het vuur. Om misschien net omdat hij het zo warm had? Plots bracht de man de fakkel naar zijn mond en… hij spuwde vuur! Het draakje keek zo gefascineerd toe dat hij bijna tegen een van de torens die boven de stad uitstaken was gevlogen. Nog net op tijd wist hij hem te ontwijken, maar toch verloor hij bijna zijn evenwicht midden in de lucht. Spartelend met alle vier zijn poten wist hij uiteindelijk naast de stad neer te strijken. Zand stoof op tegen de poorten. Wat nu? Hij was veel te groot om de stad binnen te gaan en de man te zoeken. Alleen al zijn kleine teen zou klem geraken in de nauwe straatjes. Nee, hij zou moeten wachten tot de man naar buiten kwam. Jaloers keek hij over de stadsmuren heen naar de wolken van vuur die regelmatig opstegen vanop het marktplein.
De avond viel en nog steeds was de vuurspuwende man niet naar buiten gekomen. Misschien woonde hij wel in de stad en zou hij helemaal niet naar buiten komen! Verdrietig legde het draakje zijn kop op zijn voorpoten en staarde voor zich uit, de woestijn in. Zou hij ooit het geheim van het vuurspuwen leren? Intussen is het al helemaal donker geworden. De sterren schitteren helder aan de hemel. Onverwacht komt de man toch nog naar buiten. Vlug springt het draakje recht. Eerst staat de man stokstijf stil. Hij lijkt zijn ogen niet te geloven. Het gebeurt ook niet elke dag dat er een draak zo groot als een kasteel naast je staat en je probeert aan te spreken. Na een paar seconden komt hij tot zichzelf en rent hij gillend terug de stadspoorten in. Boos stampvoetend kijkt het draakje hem na. De aarde beeft. Een van de torens in de stad wankelt en valt dan om. Overal weerklinkt gegil. Oeps… Dit was nu ook weer niet de bedoeling. Er verschijnen fakkels op de stadsmuren, vastgehouden door mannen met hooivorken en rieken, die naar de draak gekatapulteerd worden. Ze willen me hier niet, denkt het draakje verdrietig. Ik kan maar beter een andere slaapplek zoeken. Alles wat ik wilde was leren vuurspuwen… Met hangende pootjes vliegt hij weg, terug naar het noorden. Hij geeft het op. Hij zal wel nooit vuur kunnen spuwen…
Twee weken later is hij terug in zijn vertrouwde bergen. Overal liggen er ontwortelde bomen en verdwaalde rotsblokken. Hij is thuis. Treurig gaat hij op een van zijn favoriete plekjes in het dal liggen. Wat nu? Met zijn kop op zijn voorpoten staart hij zonder iets te zien voor zich uit. Zelfs die man kon vuurspuwen en hij kan het niet, hij zal het nooit kunnen. Steeds opnieuw ziet hij voor zich hoe de man de fakkel naar zijn mond bracht om vervolgens het vuur uit te ademen.
Wacht eens even! De man gebruikte een fakkel. Als hij nu eens… Vlug krabbelt het draakje overeind. Hij neemt de eerste de beste boomstam die hij vindt en schraapt die krachtig langs de rotsblokken. Het hout vat vuur. Zo, een fakkel heeft hij al. Nu kan hij proberen na te bootsen wat die man deed. Gretig brengt hij de boomstam naar zijn mond en ademt diep in. Hoestend en proestend beseft hij zijn vergissing als zijn neusharen in brand schieten. Hij laat de boomstam vallen en stampt in het rond, waardoor hij gelukkig het vuur ook uittrapt voor het zich kan verspreiden. Met een tegenwoordigheid van geest die hem later zal verbazen denkt hij aan het meertje even verderop. Twee krachtige vleugelslagen later plonst hij in het water. Zijn neusharen zijn verschroeid, maar verder lijkt de schade niet zo groot te zijn.
Domkop die hij is… Wie heeft nu al ooit gehoord van een draak die zichzelf in brand steekt? Maar hij voelt aan dat hij op het goede spoor is en neemt nog een boomstam, die hij op dezelfde manier aansteekt als de eerste. Deze keer let hij goed op om eerst diep in te ademen en daarna pas het brandende uiteinde naar zijn mond te brengen. Hij opent zijn mond en blaast alle lucht eruit. Een wolk van vuur schiet weg en verschroeit al het nog levende groen in een omtrek van 50 meter.
“Hoera!” juicht het draakje. “Eindelijk! Eindelijk ben ik een echte draak, één die vuur kan spuwen!” En hij stuwt er nog een vuurwolk achteraan.
maandag 14 augustus 2017
Geschiedenisles
“Die nieuwe van geschiedenis is echt raar.”
Ze stonden buiten op het schoolplein na hun eerste lessen van het nieuwe schooljaar. In tegenstelling tot vorig jaar zaten Maxim en Leander niet langer in dezelfde klas. Aangezien dit betekende dat ze geen gezamenlijk kattekwaad meer konden uithalen tijdens de lessen - wat er wellicht de reden van was dat de leraren besloten hadden hen uit elkaar te hadden en niet meer in dezelfde klasgroep in te delen - brachten ze elkaar nu tijdens de pauzes verslag uit. Plan A was geweest om gewoon tijdens de lessen contact te houden via de videochat van hun tablets, die ze op elkaar afgestemd hadden, maar ze hadden de voorbije twee uren ontdekt dat de school dit jaar blijkbaar eindelijk een manier gevonden had om dat te blokkeren.
“Wat is er zo raar aan hem?” vroeg Maxim, terwijl een gevleugelde memo langs zijn oor scheerde, wat hij negeerde.
“Je zou beter vragen wat er normaal aan hem is… Niet veel! Die man leeft gewoon in het verleden. Een echte vakidioot. Hij kan wel boeiend vertellen,” gaf Leander toe. “Maar hij wil geen elektronica in zijn lessen, kun je je dat voorstellen? Geen elektronica, alsof we in de prehistorie leven!”
“Geen elektronica?” echoode Maxim. “Hoe moet dat dan? Ik bedoel, je kunt toch geen notities nemen zonder je tablet?”
“Pen en papier, jongen!”
Maxim stompte hem tegen zijn schouder. “Ik was er bijna ingelopen!” grinnikte hij.
Leander wilde nog iets zeggen, maar op dat moment weerklonk de bel, die aangaf dat ze terug naar hun lokalen moesten.
“Het is geen grap, het is echt!” siste Leander nog net, voor hij door een van de vele schermen tot stilte werd gemaand. Aangezien hij geen zin had om al meteen de eerste dag als straf een virus op zijn tablet te krijgen dat hem een boel extra huiswerk zou bezorgen, deed hij er daarna het zwijgen toe. Maxim zou vanzelf wel merken dat hij gelijk had. Meteen verscheen Maxims uurrooster voor zijn netvlies, nadat hij zich onbewust had afgevraagd wanneer hij de eerste keer geschiedenis zou hebben. Dat bleek het volgende uur te zijn. Deze middagpauze zouden ze heel wat hebben om over te praten. Ze moesten echt een manier vinden om ook tijdens de lessen te kunnen communiceren, nu de videochat was geblokkeerd. Wellicht konden ze wel een andere manier vinden om hun tablets met elkaar te verbinden. De school kon niet alles blokkeren, aangezien de tablets onontbeerlijk waren voor de leerlingen. Zonder tablets kon er geen les worden gegeven. De mogelijkheden waren eindeloos, ze moesten gewoon even een paar opties uitproberen.
Intussen had Maxims hooverboard hem tot aan zijn lokaal gebracht. Hij keek om zich heen, maar hij had geen idee waar hij was. Zolang zijn hooverboard, dat automatisch met zijn uurrooster was verbonden, het maar wel wist. Die Leander toch… Maxim grinnikte nog even na. Welk vak had hij nu eigenlijk? In een oogwenk kreeg hij zijn uurrooster te zien. O, kijk, geschiedenis! Hij was eens benieuwd. Net als de andere leerlingen uit zijn klas werd hij het lokaal in gezoefd. De leraar was er nog niet, maar dat was niet wat hun aandacht trok. Houten banken stonden in lange rijen opgesteld. Vooraan was een groen magneetbord aan de muur bevestigd. Wat voor gekke lokaalopstelling was dit? Waar waren de schermen en de driedimensionele hologrammen? Stomverbaasd keken Maxims klasgenoten elkaar aan. Waren ze wel op de juiste plek? Hun hooverboards konden toch geen fout gemaakt hebben? Alhoewel, het was de eerste dag van het nieuwe schooljaar, misschien zat er een foutje in de nieuwe programmatie?
Op dat moment kwam een man van middelbare leeftijd binnengewandeld. Gewandeld. Zonder hooverboard. Hij droeg erg gekke kleren: een saaie, blauwe broek die zo te zien uit nogal stugge stof was gemaakt en een t-shirt met letters op geprint. Zijn haar was kort geknipt en lag netjes op zijn hoofd geschikt.
“Zo, ga allemaal rustig zitten,” zei hij.
“Bent u de nieuwe leraar?” flapte Marie, die nooit op haar mondje was gevallen, eruit.
“Jazeker.”
“Maar… Waar is uw hooverboard?”
“Dat leg ik straks allemaal uit, ga eerst maar zitten.”
“Waar?” vroeg Jonas.
“Op een van de stoelen natuurlijk!” riep de leraar enthousiast uit.
Weifelend keken de leerlingen elkaar aan. Die man was gek! Toch begonnen er een paar in de richting van de stoelen te hooveren. Er gebeurde niets. Onzeker bleven ze een paar centimeter boven de grond zweven terwijl ze vragend naar de leraar keken.
“Je moet zelf de stoel vastnemen en hem naar achteren trekken, jongens,” grinnikte hij, terwijl hij het voordeed. “Ongelofelijk dat ik jullie moet leren hoe je kunt gaan zitten.”
“Geef ons dan ook een normaal lokaal met normale stoelen die zelf weten wanneer er iemand aan komt,” mompelde Jonas, luid genoeg zodat de leraar het zeker zou horen, maar die negeerde het. Hij wachtte even tot het iedereen gelukt was om plaats te nemen, waarbij er nogal wat hooverboards onhandig tegen stoelpoten aan botsten.
“Zo. Ik ben jullie nieuwe geschiedenisleraar. Zoals jullie misschien al door hebben, gaat de stof dit jaar over de twintigste en eenentwintigste eeuw. Een erg boeiende periode waarin er veel gebeurd is en waarin men een enorme technologische revolutie heeft meegemaakt. Die reis gaan we dit jaar samen opnieuw maken. En om dat te doen, gaan we ons helemaal onderdompelen in de twintigste en de eenentwintigste eeuw. Dat wil zeggen dat ik ook les ga geven zoals het toen gebeurde: met een minimum aan technologie.”
Het geroezemoes was tijdens deze toespraak steeds luider gaan klinken, tot de leraar er nu niet meer bovenuit kwam.
“Geen technologie?” riep Marie. “Dat kan toch niet!”
“Dat kan zeker wel.”
“Maar hoe moeten we dan notities nemen?”
“Met pen en papier,” zei Maarten, die intussen begreep dat Leander geen grapje had gemaakt. Die leraar was echt knettergek.
“Jij snapt het,” de leraar glimlachte breed naar Maarten. “Dat is ook de reden waarom ik geen hooverboard heb: die hadden ze nog niet in de twintigste eeuw. In de eenentwintigste eeuw werd daar een begin mee gemaakt, maar dan als speelgoed, niet als standaard schoeisel slash vervoermiddel, dat kwam pas later: aan het begin van de tweeëntwintigste eeuw.
De leraar grinnikte opnieuw toen hij zag dat iedereen hem met open mond zat aan te staren. “Dit moet een hele schok voor jullie zijn, daarom beginnen we vandaag met een rustige, inleidende les,” zei hij, terwijl hij een lade van zijn bureau opentrok. Een paar meisjes slaakten een kreetje: “Het gaat open!”
“Dit, dames en heren, is een lade. Het is onderdeel van een bureau en werd gebruikt om dingen in op te bergen, zoals pen en papier,” legde hij uit, terwijl hij met een zwierige beweging inderdaad pennen en papieren uithaalde, die hij begon uit te delen. “Hierop gaan jullie notities nemen. Geen paniek, deze eerste les is slechts een inleiding en nog niet heel belangrijk, maar dan kunnen jullie er alvast even aan wennen om zonder technologie notities te nemen, net zoals leerlingen in de twintigste en eenentwintigste eeuw moesten doen. Nu, in de eenentwintigste eeuw mochten leerlingen vaak ook al notities nemen op hun laptop, die ze dan van thuis meebrachten naar school, maar helaas was het in dit hele stopcontact niet mogelijk om een stopcontact te vinden, dus kon ik ook geen laptops aan de praat krijgen, want die hebben nog ouderwets elektriciteit nodig om hun ding te kunnen doen.” Aan de niet-begrijpende gezichten van zijn leerlingen, zag hij dat hij dat wat beter zou moeten uitleggen: “Elektriciteit kwam toen uit draden uit de muur, waar je het toestel op aan moest sluiten door een kabel, die in het stopcontact werd gestoken. Uiteraard is er in dit hele gebouw geen stopcontact meer te vinden, dus helaas voor jullie was het niet mogelijk om jullie ook notities te laten nemen op een laptop. Jullie moeten het dus met pen en papier doen.”
“Maar meneer, en onze…”
“Verboden!” riep de leerkracht, voor Jonas zijn zin had kunnen afmaken. “Alle hedendaagse technologie is in dit lokaal verboden. Enkel omdat het de eerste les is, mochten julllie je hooverboards aanhouden. Voor de volgende les wil ik dat jullie die op de gang laten staan.”
Intussen had iedereen een balpen en een paar bladen papier gekregen.
“Goed, schrijf op: ‘Inleiding tot de twintigste en eenentwintigste eeuw’”, zei hij, terwijl hij zelf de titel van de les met krijt op het bord schreef. Toen hij zich weer omdraaide naar de klas, zag hij dat de helft van de leerlingen niet aan het schrijven was, maar hem verbijsterd aanstaarde. Knipogend wees hij naar het papier op hun tafels: “Schrijven, je weet wel, met balpen letters op papier tekenen om woorden en zinnen te vormen.”
Intussen was Maarten al begonnen, maar hij worstelde nogal: schrijven met een balpen op papier deed hij bijna nooit, terwijl het wel een handeling was die wat oefening vergde om het goed te kunnen. Met puntje van zijn tong uit zijn mond, tekende hij de letters op het papier. Af en toe spiekte hij even naar wat de leraar op het bord had gezet, als hij twijfelde hoe een bepaalde letter nu weer gevormd moest worden.
Dit zou vast een boeiend jaar worden. Die man was duidelijk gepassioneerd door zijn vak. Ze zouden helemaal ondergedompeld worden in de twintigste en eenentwintigste eeuw. Maarten wilde wedden dat hij er heel wat van op zou steken, veel meer dan van zijn andere vakken. Wiskunde was daarnet extreem saai geweest, net als Engels, het uur erna. Maar deze leraar, die stak moeite in zijn lessen, dat merkte je. Hij wenste dat hij zijn enthousiasme kon delen met Leander. Ze moesten echt een manier vinden om de schoolblokkades te omzeilen. Al zou hem dat in deze les niet helpen, aangezien alle technologie verboden was. Misschien konden ze wel boodschappen op papier voor elkaar achterlaten, bedacht hij enthousiast!
Intussen was iedereen zo ongeveer klaar met schrijven. “Goed,” sprak de leraar, met het krijtje nog steeds in zijn rechterhand “wie kan mij een paar belangrijke gebeurtenissen of feiten uit de twintigste of eenentwintigste eeuw vertellen?”
Meteen begon iedereen door elkaar te praten. Met de nagels van zijn linkerhand schraapte de leraar over het bord, wat een weerzinwekkend schel geluid teweegbracht. De leerlingen brachten hun handen naar hun oren. Meteen werd het stil.
“Niet allemaal tegelijk. Ik weet dat jullie systemen daar in andere lessen voor zorgen, maar hier doen we het anders, net zoals…”
“...in de twintigste en eenentwintigste eeuw,” bauwde Jonas hem na.
“Inderdaad, jij snapt het,” grijnsde de leerkracht. “Dat wil dus zeggen dat je niet zomaar het antwoord op een vraag begint door het lokaal te roepen, maar dat je je hand opsteekt. Pas als ik je aanduid, mag je antwoorden.”
“Hoe ouderwets is dat!” riep Marie verontwaardigd uit.
“En jij snapt het ook,” kwam het antwoord meteen. “Dat is het hele punt.” Marie keek beteuterd, maar de leraar negeerde haar.
Maarten grijnsde inwendig. Die man wist hoe hij de leerlingen moest aanpakken.
“Poging twee: wie kan me een paar belangrijke feiten opnoemen uit de eeuwen die ons hier vandaag interesseren?”
Maarten stak zijn hand op, hij vond dit wel een leuk spelletje.
“De twee Wereldoorlogen.”
“Die waren behoorlijk belangrijk, ja.” Hij schreef het op het bord en draaide zich naar de klas. “Wat nog?”
“De verdragen van Nanjing.”
“Klopt, dat was naar het einde van de eenentwintigste eeuw toe.” Opnieuw schreef de leraar het op het bord.
“De uitvinding van de auto?”
“Dat was eigenlijk de negentiende eeuw, maar in de twintigste eeuw zou dit vervoersmiddel pas echt doorbreken. Uiteraard is de auto nu overbodig geworden, maar in de twintigste en eenentwintigste eeuw speelde hij een enorm belangrijke rol in het alledaagse leven van de mensen die toen leefden.”
“Terrorisme, 9/11 en zo!”
De leraar knikte naar Jonas. “Inderdaad, dat speelde toen heel erg. Gelukkig leven we nu in betere tijden, in dat opzicht toch. Nog dingen? Misschien enkele belangrijke personen?”
“Hitler!”
“Wachten tot ik je aanduid, Lisa. Maar je hebt wel gelijk. Zonder Hitler was er misschien geen Tweede Wereldoorlog geweest. Wie nog?”
“Verbiest.”
“Klopt. Hij zou een immens belangrijke rol spelen in de tweede helft van de eenentwintigste eeuw. Zijn landinmengingen leidden uiteindelijk tot de demolitie van de staatsgrenzen, met het ontstaan van de Wereldpartij tot gevolg. En we weten allemaal wat die veroorzaakt heeft.”
De leerlingen knikten.
“Ok, ik zie dat het bijna tijd is. Heeft iedereen notities kunnen nemen? Denk eraan, vanaf volgende les beginnen we er echt aan: hooverboards blijven op de gang en jullie nemen zelf notities van wat ik zeg. Vergeet dus zeker niet om ook pen en papier mee te nemen.”
Sommige leerlingen keken opstandig. Normaal gezien namen hun tablets de notities voor hen, zij hoefden er niets voor te doen. Dit was ook een heel andere soort les dan ze gewend waren. Normaal werkten ze vrij individueel en gaf de leraar hun gewoon wat tips mee. Hun tablets deden de rest. Nu moesten ze in groep luisteren naar wat de leraar te vertellen had en zelfs notities nemen. Met pen en papier dan nog!
Maarten vond het geweldig. Dit was eens wat anders! Het zou echt een heel boeiend jaar worden. Hij kon niet wachten om Leander straks te zien en hem te vertellen over zijn idee om contact te houden met pen en papier. Geen enkele leerkracht zou daaraan denken!
dinsdag 25 juli 2017
Hardloopwedstrijd voor olifanten
En dan nu: de vijf kilometer hardlopen voor olifanten! Daar staan ze al klaar aan de startlijn. We zien Dumbo in het roze, hij is gekend omwille van zijn vliegende starts. Daarnaast staat
Ollie. Daar zal Dumbo voor moeten opletten, want Ollie is berucht omdat hij het betere slagtandenwerk niet schuwt. Daar hebben we ook nog Troela en Tuttebel. Excuseer, Mia en Ria, de befaamde tweeling die stevast in tutu aan
de start verschijnen. Vandaag hebben ze zo te zien voor een babyblauwe gekozen.
Daarmee hebben we de belangrijkste titelkandidaten overlopen, tenzij er een van de kleinere giganten besluit om te verrassen. Jaja, het gaat beginnen. Ze zetten zich schrap: drie, twee,
een, daar gaan ze!
En ja hoor, ze zijn al meteen goed vertrokken! Wat een gedaver van jewelste is dit toch altijd! Prachtig om te zien vanaf hier: al die geweldige kolossen die er als een speer vandoor gaan.
Maar ik zou niet aan de zijlijn willen staan! Elke keer opnieuw worden de toeschouwers door elkaar geschud, vallen flesjes bier van de tafeltjes,... De mensen die hier wonen, die zijn te beklagen. Hun huizen worden flink door
elkaar geschud!
Maar goed, terug naar de wedstrijd. Even kijken. Ollie loopt aan de leiding, gevolgd door Mia en Ria. Daarna, op enkele meters afstand volgt Dumbo. Het is wel erg vroeg in de wedstrijd
om nu al, na amper vijfhonder meter, achter te liggen, zal hij dit nog kunnen goedmaken? Langs de andere kant: de weg is nog lang, de wedstrijd is nog lang niet gelopen, maar de start had zeker beter gekund!
Ai, wat is dat! Mia ligt languit op de grond, ze moet ergens over gestruikeld zijn, misschien wel over haar eigen poten! Het ziet er niet al te ernstig uit, ze komt alweer overeind, maar
ze heeft nu wel een flinke achterstand. Dat wordt lastig om nog in te halen! En zo te zien zullen er ook wegenwerken nodig zijn, want wat een krater heeft ze in de weg slagen! Kijk, men zet er al signalisatieborden rond, zodat
niemand erin valt. Zo’n diepe krater, je ziet dat ze behoorlijk hard neergekomen is! Maar intussen heeft ze er weer vaart achter gezet en probeert ze om de rest weer bij te benen, dat wordt nog een hele klus.
Intussen is het vooraan spannend. Dumbo is dichterbij kunnen komen, hij kon nog tijd op tijd opzij springen toen Mia ten val kwam, en intussen is hij bijna op gelijke hoogte met Ria, terwijl
Ollie slechts twee meter voorsprong op hen heeft. We zijn bijna halverwege de wedstrijd, beste kijkers. Ollie kijkt even om, Dumbo vindt zelfs nog de energie om naar hem te toeteren: die zit nog lang niet op zijn tandvlees!
“Hier kom ik,” bedoelt hij, want intussen ligt hij een half metertje voor op Ria. Zo te zien is haar blauwe tutu wat aan het afzakken. Met haar slurf houdt ze hem op, het ziet er nogal potsierlijk uit. Nooit eerder
vertoond bij deze olifantenhardloopwedstrijd: een kandidaat verliest bijna haar kledij!
Mia zijn we zo te zien helemaal kwijt, die probeert nog steeds achteraan het peloton aan te klampen. De kans dat zij nog vooraan raakt lijkt onbestaande.
Op anderhalve kilometer van het einde ziet het ernaar uit dat het een sprint wordt tussen Ollie en Dumbo, die intussen nog slechts een metertje achter Ollie rent. Hij steekt zijn slurf
uit en... Wat doet Dumbo nu?! Hij grijpt Ollies staart met zijn slurf! Dat is niet bepaald sportief te noemen! Nu komen ze op gelijke hoogte. Ollie probeert zijn ritme opnieuw te vinden, Dumbo steekt hem langzaam maar zeker
voorbij, het is een kwestie van centimeters geworden! O jee, hij kan maar beter wat verder bij Ollie in de buurt blijven, want - zie je wel, daar heb je het al: Ollie boort zijn slagtand in Dumbo’s zij. Hij zal straks
wel weer verklaren dat het echt per ongeluk ging toen hij een vlieg uit zijn gezicht wilde wuiven of zoiets, maar dit leek me heel erg opzettelijk. Nu ja, niet helemaal onterecht na dat akkefietje met die staart daarnet. Van
de schrik is Dumbo een metertje opzij gesprongen, waardoor Ollie opnieuw de leiding kon nemen. Nog een kilometer tot aan de finish, het wordt spannend!
Ze daveren de bocht om, die arme huizen langs de weg daveren helemaal mee, en...
Abrupt stopt het geluid. De bovenbuurman is klaar met wat het ook was dat hij aan het doen was. “Toe, we willen het vervolg!” roepen Ted en Simon.
“De wedstrijd is over voor vandaag,” glimlacht papa. “Morgen gaat hij vast verder. Nu is het bedtijd. Slaap lekker allebei.” Hij geeft hen een kus op de wang en
stopt hen in.
“Welke olifant heeft er nu gewonnen?” vraagt Ted nog.
“Dat zul je misschien wel zien in je dromen,” antwoordt papa. “Droom het vervolg en laat het me morgen weten, goed?”
Ted en Simon knikken. “Slaap lekker!”
“Slaap lekker!”
vrijdag 14 juli 2017
Het mannetje op de maan
Hé, hallo, ik had je niet gezien! Hoe gaat het? Leuk dat je even langskomt! Er komt hier bijna nooit iemand. En als er al iemand komt, dan planten ze een vlag, nemen een stukje rots mee en verdwijnen ze meteen weer. Er heeft nog nooit iemand de tijd genomen om even een praatje te slaan met mij.
Je zou denken dat ik vrij hard opval tegen al die saaie, grijze rotsen hier, aangezien ik altijd een knaloranje outfit draag, hèhè. Maar nee hoor, niemand besteedt ooit enige aandacht aan mij. Misschien denken ze dat ik te klein ben om van enige betekenis te zijn, maar dat hebben ze dan verkeerd! Ik, meneer, ben namelijk de bestuurder van de maan. Jaja, dat de maan altijd in een mooie baan rond de aarde draait en er nooit eens mee botst, dat komt door mij! Ik oefen deze functie nu al meer dan vijfduizend jaar uit, waarvan vierduizend jaar in m’n eentje. Mijn voorganger was tienduizend jaar lang de bestuurder van de maan. Hij heeft het me geleerd. Duizend jaar leertijd, dat valt best mee toch? Over een paar duizend jaar neem ik ook een leerling. Hopelijk leert die het dan even snel, zodat ik daarna vlot en met een gerust hart met pensioen kan gaan.
Natuurlijk is het in al die jaren wel eens misgelopen. Het is helemaal niet zo gemakkelijk om zoiets groots als de maan te besturen hoor! Zeker niet als je zelf maar een klein opdondertje bent, hèhè.
Als de Galliërs vroeger bang waren dat de hemel op hun hoofd zou vallen, tja, dan heeft dat wel een gegronde reden. De maan is namelijk eens bijna op hun hoofd gevallen! Oeps… Foutje, hèhè! Achja, kan gebeuren. Uiteindelijk wist ik de maan weer op te trekken. Dat was net op tijd, want ze was nog maar tien meter meer van het grondoppervlak verwijderd! Daarna duurde het ook een hele tijd eer ze weer in een goeie baan rond de aarde was.
En de Maya’s, die wisten zoveel over de beweging van de sterren omdat mijn voorganger het hen geleerd had, in ruil voor hun hulp. De maan zat toen in een moeilijke fase en was recht op hun grondgebied afgekomen! Ze was neergestort in een bos en even blijven verder rollen, zodat er hele hectares bos plots platgewalst weideland waren geworden. De Maya’s hebben toen met vereende krachten geholpen om de maan van een helling naar beneden te rollen, zodat ze genoeg vaart had om terug de ruimte in te kunnen gestuurd worden. Dat moet me een zicht geweest zijn: duizenden mensen die de maan voortduwden, hèhè! Ter herdenking hebben de Maya’s nadien enkele tempels opgericht op de plek waar de maan neergestort was en ook op de plek waar ze haar hebben geholpen om terug in de lucht te komen.
O, en het uitsterven van de dinosaurussen? Dat was geen komeet… Tja, een van mijn voorgangers, ik heb hem nooit gekend, dat is net iets te lang geleden, was in slaap gevallen. Tijdens zijn dienst, dat geloof je toch niet! Dus toen stortte de maan neer… Er waren toen nog geen mensen die hem hadden kunnen helpen, met als gevolg dat er toen een hele tijd geen maan aan de hemel gestaan. Wat een ramp was me dat! Neenee, dat moet geen leuke periode geweest zijn! Ik heb er eigenlijk geen idee van hoe ze het uiteindelijk hebben weten op te lossen.
Nu ja, het gaat dus wel eens mis. Maar we doen ook veel goede dingen hoor! Soms vang ik een komeet op die anders op de aarde zou neerstorten. Hier op deze kale rotsen kan dat toch geen kwaad. Daarna is het altijd wel een beetje aanpassen, want de verdeling van het gewicht is dan veranderd doordat er stukken rots zijn losgebroken en verschoven. De eerste paar maanden zwalp ik dan een beetje door de ruimte, maar hé, geen haan die ernaar kraait, want er zijn hier helemaal geen hanen, hèhè!
Sorry, sorry, flauw mopje. De mensen op aarde zouden het kunnen merken, als ze erop letten: de getijden zijn dan wat extremer. Niet veel hoor, het scheelt gewoon een paar meter. Als er dan ook nog eens net springtij is, tja… Maar wat maakt een metertje dan nog uit? Dat valt de mensen trouwens helemaal niet op. Wat kan hen het ook schelen? De getijden hebben iets met de maan te maken, meer willen ze niet te weten. Dat hoeft ook helemaal niet, ik regel het allemaal perfect voor hen. Maar denk je dat ze daar dankbaar voor zijn? Ho maar… Alles wat ik zou willen is dat er wat vaker iemand met me kwam praten, zoals jij nu. Het is maar eenzaam, hierboven op de maan. En de rotsen, tja, het interesseert hen niet bepaald wat ik te vertellen heb. In elk geval antwoorden ze nooit, hèhè.
Maar echt, de laatste paar eeuwen gaat het erg goed. Het laatste incident is zelfs al bijna vier eeuwen geleden! Dat vind ik een hele prestatie, toch?
Ongeveer een halve eeuw geleden was het wel even heel nipt. Ik schrok me helemaal te pletter! Plots kwam er een ruimtetuig regelrecht op mij af, zonder enige waarschuwing. Dat geloof je toch niet! Ik schrok zo hard dat de maan ervan begon te zwalpen, maar gelukkig was ik alert genoeg en kon ik ze vrij snel terug in de goede baan krijgen. Ik geloof niet dat de mensen in dat ruimtetuig er iets van gemerkt hebben.
Dat was trouwens de allereerste keer dat ik bezoek kreeg van mensen. Ze hadden echter helemaal geen aandacht voor mij. Ze maakten er eerst een heel gedoe van om uit dat ruimtetuig te komen, dan plantten ze een vlag neer, zonder er rekening mee te houden dat dat ook een invloed zou kunnen hebben op de baan van de maan. Jaja, de baan heeft een delicaat besturingssysteem, meneer! Maar denk maar niet dat dat de mensen iets kan schelen! Ik los het wel op, zoals steeds! Geen greintje respect. Het is toch zo?
In elk geval ben jij hier nu en je hebt niet eens een vlag bij! Kwam je echt speciaal om mij te bezoeken? Dat is zo lief van je! Heb je wel een goede reis gehad?
Hallo? Ben je daar nog? Hallo…?
dinsdag 6 juni 2017
Sauna
Het water klotste over de rug van de roze olifant. Elke verzette poot veroorzaakte een golfslag in het krappe zwembad. Het water stroomde verder en verder over de rand bij elke trede die
de gigant afdaalde. Een roze slurf slurpte een deel ervan op en hield het even in, vooraleer de gigant zijn slurf boven zijn hoofd hield en het water er als een douche uitstortte. Heerlijk!
De olifant had geen plaats om zich om te draaien: daarvoor was het zwembad te smal. Aan weerszijden was er nog ongeveer een halve meter ruimte over tot aan de rand. Het grootste gedeelte
van het zwembad werd echter ingenomen door het logge beest dat nu uitgebreid van een douche stond te genieten.
Twee giraffen deden de deur van het saunacomplex open. Toen ze zagen dat het zwembad nogal vol zat, liepen ze naar de tegenovergestelde muur, waar de douches waren. Ze moesten hun lange
nekken behoorlijk buigen om eronder te passen. Het zag er niet echt elegant uit, maar uiteindelijk lukte het wel als ze een beetje door hun poten zakten en hun nek scheef hielden. Ze rilden door het koude water en bleven er
dan ook niet echt lang onder staan. Na een minuurtje verdwenen ze alweer naar het stoombad.
In een andere ruimte wreef een eenhoorn zijn hoorn in met chocola. Een volledig chocoladebad zag hij niet zitten: zijn mooie, donkerpaarse vacht insmeren met die vuiligheid, geen sprake
van! Maar chocola scheen goed te zijn voor de huid en zijn hoorn was zijn grote trots, dus die wilde hij wel even verwennen met een dikke laag chocola.
Drie konijntjes hadden geen last van dergelijke complexen. Zij waren volop aan het ravotten in het chocoladebad, hun vacht vol bruine plekken. Het grootste onder hen zwiepte met zijn oren,
waardoor er twee klodders chocola door de lucht vlogen. De eerste belandde vlak bij het kleinste konijn, dat nauwelijks zijn kopje boven de bruine, stroperige vloeistof kon houden en nu proestend ten onder ging. De tweede
klodder vloog met een majestueuze boog door de lucht om midden op de kop van de eenhoorn te belanden, vlak boven de hoorn, tussen de twee ogen die het grote konijn zo kwaad aanstaarden dat het dacht elk ogenblik vlijmscherpe
dolken door de lucht op zich af te kunnen zien komen vliegen. De drie stopten met spelen en hielden geschrokken hun adem in om de reactie van de eenhoorn af te wachtten. Met een koninklijk gebaar veegde deze de traag naar
beneden glijdende klodder bruin van zijn paarse vacht en na een laatste, minachtende blik op de drie konijntjes, liep hij naar buiten, naar de grote hal waar de roze olifant nog steeds lustig aan het baden was. Terwijl de
konijntjes luidruchtig hun gespetter en gejoel hervatten, vleidde de eenhoorn zich neer op een van de banken langs de muren om de chocola de tijd te geven om in te werken op zijn hoorn. Op dit moment zag het er niet uit, maar
straks zou hij zijn grote trots weer fier vooruit kunnen steken.
Intussen begon de roze olifant aanstalten te maken om uit het zwembad te komen. Aangezien er slechts één trap was in het vierkante zwembad, zou hij zich eigenlijk moeten omdraaien
om eruit te kunnen klimmen waar hij erin afgedaald was. Daar was er echter helaas geen ruimte voor. De olifant had beter even nagedacht voor hij vol enthousiasme het zwembad in gespetterd was: hoe moest hij er nu in godsnaam
weer uitgeraken? Maar er stonden al een heel aantal dieren te wachten die vonden dat het hun beurt was om te zwemmen, dus besloot hij het toch maar te proberen. Langzaam liep hij achteruit, goed oplettend om zijn grote, logge,
roze poten telkens een trede hoger te zetten, zonder dat hij die treden ook daadwerkelijk kon zien. Een paar treden lang ging het goed, tot hij opeens toch naast de volgende stapte. Met een luide plons ging het beest onderuit.
De wachtende dieren sprongen haastig naar achteren, beducht voor de vloedgolven die uit het zwembad stroomden als gevolg van de val van de olifant. Proestend als een fontein kwam eerst een uitgestoken slurf boven water, gevolgd
door de rest van de grote, roze kop.
Geërgerd door alle commotie die zijn rust verstoorde, opende de eenhoorn zijn ogen nog net op tijd om een vloedgolf op zich af te zien komen. Hij probeerde nog om uit de bank te springen
en opzij te rollen, maar het was al te laat: het water plenste vol in zijn gezicht. Chocola droop van zijn hoorn naar beneden. Spetters chocola vlogen in het rond en besmeurden zijn vacht. In zijn wiek geschoten liep de eenhoorn
op het zwembad af en plantte hij de punt van zijn hoorn in de bil van de olifant, die door de plotse, scherpe pijn een geschrokken sprongetje maakte. Hierdoor ontstond er uiteraard weer een vloedgolf, waardoor alle dieren
opnieuw achteruit weken. Met een zucht zag de eenhoorn in dat hij het anders zou moeten aanpakken. Kordaat liep hij naar de andere kant van het zwembad tot hij de olifant kon aankijken: “Grijp mijn hoorn vast, ik trek
je er wel uit,” bood hij aan.
Dankbaar keek de olifant naar het paarse beest op. Hij stak zijn slurf uit en krulde die voorzichtig rond de aangeboden hoorn. “Maak je maar geen zorgen: hij zit stevig vast,”
moedigde de eenhoorn hem aan. De olifant greep de hoorn nu iets steviger vast, waarna de eenhoorn langzaam enkele passen naar achteren deed. Hij moest wel buitengewoon sterk zijn om dat gewicht te kunnen dragen, bedachten
de toekijkende dieren verwonderd. De olifant legde nu zijn zware voorpoten op de rand van het zwembad en bewaarde zijn evenwicht vooral door op zijn achterpoten te steunen. Het zag er best komisch uit: de paarse eenhoorn met
chocoladevlekken op zijn vacht die de roze olifant aan zijn slurf uit het zwembad trok.
Ze schiet in de lach bij dit mentale beeld.
“Wat krijg jij nu ineens?” Ze kijkt op, recht in de lachende ogen van haar vriendje. “Zie je weer roze olifanten?” vraagt hij haar plagend. “Dat derde glas
wijn was dan misschien toch niet zo’n goed idee.”
“Jawel hoor! Ik moet net vaker wijn drinken, als ik dat soort fantastische hallucinaties krijg,” antwoordt ze lachend. “Maar misschien inderdaad niet meteen. Ik heb mijn
portie voor deze maand wel gehad.” Na een moment stilte voegt ze eraan toe: “Weet je wat, deze maand zal ik geen wijn meer drinken.”
“Je weet dat we vandaag de dertigste zijn he?” Hij begraaft haar onder een knuffel, zodat ze gelukkig niet hoeft te antwoorden.
Misschien kunnen ze morgen wel even samen naar de sauna gaan, bedenkt ze met een glimlach, terwijl ze zijn knuffel beantwoordt.
Abonneren op:
Posts (Atom)