De verhalenspin

Er leeft een spin in mijn hoofd. Zoals alle spinnen weeft mijn spin webben. Maar het zijn geen gewone webben: mijn spin weeft verhalenwebben. Draadje per draadje, zin per zin. Ideeën die door mijn hoofd waaien blijven kleven en vallen ten prooi aan de spin, die ze lustig in haar web verweeft. Sommige webben zijn heel klein, bestaan uit slechts enkele draadjes. Andere nemen meer plaats in, overwoekeren mijn gedachten. Opdat het niet al te stoffig zou worden in mijn hoofd, heb ik dus besloten om de spinnenwebben uit te schrijven in de vorm van verhalen. En aangezien mijn spin voldoende voedsel nodig heeft, zijn ideeën altijd welkom, wie weet blijven ze plakken en zie je ze terug in een van de verhalen die ik post.

woensdag 29 maart 2017

De glijbaan

“Maar ik kan toch niet van de glijbaan gaan, daar ben ik echt al veel te oud voor!”
In een flits zag ze haar grootouders voor zich, terwijl ze, allebei de tachtig al voorbij, giebelend van de glijbaan naar beneden kwamen. Om daarna met een guitige twinkeling in hun ogen de reacties van de omstaanders te peilen.
“Nee, geloof me, je kunt echt niet te oud zijn om van de glijbaan te gaan. En ik heb altijd gelijk,” voegde ze er uitdagend aan toe.
“Jaja, het zal wel. Als jij het zegt.”
“Jup, ik zeg het!” Lachend keek ze hem aan. “Kom je nu nog?”
“Al goed, al goed.” Zuchtend, maar inwendig grijnzend, klom hij langs het houten raamwerk naar boven. Hij moest zijn lijf zowat in drieën plooien om tussen twee houten latten te kunnen klauteren, die toegang gaven tot de glijbaan. Nu kon hij door het ronde, grijze gat kijken, waar hij zo dadelijk doorheen zou zoeven. Een bruine kring in het gras markeerde de plek waar hij zou landen.
Eerst moest hij echter nog langs de “bewaker” heen. Een klein meisje, van een jaar of vijf staarde hem brutaal aan. “Wat doe jij hier?” vroeg ze bazig.
Bijna schoot hij in de lach. Dat kleine ding dat zo parmantig de glijbaan bewaakte, bedoelde het echter heel serieus. Ze legde het hoofd in de nek en keek onbevreesd naar hem op. Deze glijbaan was van haar en ze duldde geen indringers. Hier was zij de baas.
“Ik wil graag van de glijbaan gaan,” speelde hij haar spel mee, echter niet in staat om een glimlach te onderdrukken.
“Jij?”
“Ja, ik. Mag dat?” vroeg hij. De sarcastische ondertoon ontging haar. Het vijfjarige geweld zag zichzelf er echt toe in staat om hem, een volwassen man, tegen te houden. Het was gewoonweg vertederend.
“Ben jij niet te oud om van de glijbaan te gaan?” Ze keek hem wantrouwend aan.
“Blijkbaar niet,” antwoordde hij met een zucht. Hij wierp een blik over de houten balustrade heen naar het eigenwijsje dat beneden aan het speeltuig lachend stond toe te kijken, erg blij met zichzelf omdat ze hem in deze situatie had weten te manoeuvreren.

Enkele weken eerder had hij laten vallen hij het echt veel te ver vond gaan om van de glijbaan te gaan. Dat kon toch niet, als volwassen man! Hij wilde best eens gek doen, maar er waren grenzen...
De avond daarop waren ze met enkele vrienden iets gaan drinken. Even bijkletsen, ze hadden elkaar al lang niet gezien. Nadien zou ze voor het eerst met hem meegaan naar zijn huis. Ze hadden afgesproken dat zij zou rijden en dus niet zou drinken. Hij zou wel voor gps spelen: “Over honderd meter, sla links af”, had hij zijn computerstem alvast geoefend.
Hoe meer de avond vorderde, hoe losser de sfeer werd. De drank vloeide rijkelijk en de coördinatie begon bij sommigen al wat te wensen over te laten. Zo slaagde Sven erin om het schaaltje met zongedroogde tomaatjes over haar heen te gooien door naast zijn Duvel te grijpen. Hij was rechtgestaan om haar te helpen met opruimen en toen hij haar daarna op zijn schoot wilde trekken, deed hij dat zo onhandig dat de stoel - die, moest ze toegeven, al redelijk wankel was - instortte, waardoor ze allebei op de grond belandden.
Lachend had ze hem gevraagd of hij straks de weg naar zijn eigen huis nog wel zou weten te vinden. Hij had haar zelfverzekerd aangekeken: “Natuurlijk, het is toch mijn eigen huis! Dat zou wel heel erg zijn! Als ik dat niet meer weet, dan... dan... Dan mag je... Ehm...” Aan zijn gepijnigde blik te zien deed hij een poging om na te denken.
Ze greep haar kans. “Ik heb wel een idee: als je de weg niet meer weet, dan ga jij van de glijbaan af!”
Hij knipperde even met zijn ogen en toen begon hij te lachen. “Ok, deal! Maar dit gaat niet gebeuren, hé, dat weet je toch?”
“We zullen zien...” Triomf flikkerde in haar ogen. Dit zou leuk worden.
Twee uur en vijf biertjes later hielp ze hem in haar auto. Ze hield de deur langs de passagierskant open en stond hem toe om op haar te steunen terwijl hij instapte. Eenmaal hij zat, deed ze de deur dicht en liep ze zelf om de auto heen, oplettend dat ze met haar hakken niet in de gleuven tussen de kasseien bleef haken. In het licht van de lantaarnpaal zag ze hoe hij een poging deed om de gordel om te doen. Ze stapte in.
“Dus.”
“Stomme... gordel...” gromde hij. Ze boog zich over hem heen, nam het stuk gordel waar hij mee aan het vechten was van hem over en klikte hem vast.
“Dus,” herhaalde ze. “Waar moet ik heen rijden?”
“Ga maar gewoon rechtdoor. En dan de tweede, nee de derde links.”
“Wat is het nu?” vroeg ze pestend, “de tweede of de derde?”
“De derde... Denk ik.”
Ze schoot in de lach. “Je weet wat we afgesproken hebben hé, als je de weg niet weet, dan ga je van de glijbaan.”
“Ik weet het echt wel!” riep hij verontwaardigd uit.
“Uhuh...”
Ze startte de motor, schakelde naar eerste en reed de parkeerplek uit. Het was stil op straat, iedereen sliep al. Enkele lantaarnpalen verlichtten het kasseistraatje. Een dronken man stak waggelend de straat over. Een kat sprong op de vensterbank van het huis met de groene deuren. Bij het derde kruispunt sloeg ze linksaf. De auto stopte met hobbelen, deze straat was van asfalt. Gelukkig maar, want haar menselijke gps zag er wat groenig uit. Hier stonden er echter geen lantaarnpalen meer, dus het enige licht in de omgeving kwam van haar koplampen. Ze reden over een klein baantje tussen de velden, met langs weerszijden een greppel. Af en toe was er een scherpe bocht, dus ze moest goed opletten om niet naast de weg te belanden.
“Weet je zeker dat we goed rijden?” vroeg ze pesterig. Hij gromde wat. De wereld bestond uit maïshalmen die voorbijzoefden. Uiteindelijk kwamen ze op een grote baan uit. Het felle licht van de straatlantaarns en de uithangborden stond in sterk contrast met het donkere landweggetje waar ze net overheen waren gereden.
“Waarheen?” vroeg ze.
“Links,” mompelde hij. “Nee wacht!” Hij ging wat rechter gaan zitten en bekeek de straat aandachtig. Groene, paarse en gele lichten liepen door elkaar. De bakker met de veel te grote witte muts, die als uithangbord voor de bakkerij diende, zwaaide alle kanten op. De grote bomen schuin naast de bakkerij wuifden, ze wezen naar rechts.
“Rechts,” zei hij daarom maar.
Ze reed naar rechts. De witte muts staarde hem na. Had hij toch de verkeerde kant gekozen? Hij wist het eigenlijk echt niet meer. Ingespannen tuurde hij naar de huizen, op zoek naar een herkenningspunt. Daar, dat gebouw met de grote ramen en de rare koepel op het dak, dat herkende hij. “Hier naar links,” zei hij. “Oeps, ik bedoel: sla hier links af,” deze keer gebruikte hij zijn ingeoefende computerstem. Hij voelde zich al wat zelfzekerder.
“Weet je zeker dat deze gps de weg weet?” vroeg ze plagend.
Hij snoof. De weg naar zijn eigen huis moest hij toch echt wel kennen. Alleen zag alles er zo wazig uit. Huizen en bomen speelden haasje over en wisselden van plaats.
Een halfuur later waren ze nog steeds rondjes aan het rijden. “Hoe zat het nu toch weer... Hier links!” riep hij plotseling uit, toen ze langs een huis reden met een reclamebord aan de muur. De te grote pot chocopasta lachte hem toe. Ze reed naar links. “Nee, oeps, ik bedoelde eigenlijk rechts.”
Lachend keerde ze de auto. “Huh waar zijn we nu?”
“Ok, zo is het genoeg geweest.” Ze zette de auto langs de kant, midden op de stoep. Op dit late uur was er toch niemand anders op straat. Ze reikte naar het handschoenkastje en haalde de gps eruit.
“Nee, geen gps, ik weet het best zijn!”
“Jaja, vast, daarom zijn we al een halfuur bezig over een ritje van vijf minuten. Het is mooi geweest, ik wil naar bed. En jij gaat binnenkort van de glijbaan!”
Hij gromde, maar liet haar toe om de gps in te stellen op zijn adres. Drie minuten later waren ze er.
De volgende ochtend had hij nog geprobeerd er zich uit te praten door te beweren dat hij niet veel meer wist van wat er de vorige avond gebeurd was. Maar toen ze hem haarfijn begon uit te leggen hoe alles verlopen was, moest hij wel toegeven. “Argh, jij je zin, ik ga wel van de glijbaan.” Hij zuchtte diep.

“Hm.” Het kind keek hem onderzoekend aan. Hij beantwoordde haar blik. Twee paardenstaartjes wiebelden heen en weer, doordat ze haar hoofd met een rukje schuin had getrokken. De sproetjes op haar wangen accentueerden het blozende gezichtje, dat zo onbevreesd naar hem opkeek, helemaal overtuigd van haar recht om hem al dan niet de toegang tot de glijbaan te ontzeggen.
“Goed dan!” Gracieus liet ze hem erlangs, zodat hij zich in het grijze gat kon storten.
Met wapperende haren kwam hij een tel later beneden aan.
“Was dat nu zo erg?”
“Vreselijk!” antwoordde hij knipogend en met een grote grijns op zijn gezicht.

zondag 19 maart 2017

Kampvuur

Vuurvliegjes flitsen aan en uit. Hout knettert. Ze houdt haar blik strak op de vlammen gericht. Gehypnotiseerd. Herinneringen gaan in rook op, zo lijkt het wel. Alles voorbij. Een hoofdstuk afgesloten.
De vlammen tonen haar een groepje mensen, bijeen om 2 uur ‘s nachts. Een tafel die bezaaid ligt met m&m’s en flessen cola. Papieren die al te verkreukeld zijn om nog in een map te passen. De koffer met verkleedkledij staat open. Een frisbee hunkert naar aandacht. Die zal hij krijgen, nog even geduld. Lachend verplaatst de groep zich naar buiten. De frisbee mag mee. Het grasplein wordt ingenomen.
De vlam flikkert. Een andere plaats, een ander moment. De slagroom vliegt door de lucht en wordt opgevangen door een gretige mond. Enkele klodders vliegen de verkeerde richting uit. Gelach, gejoel. “Mijn beurt!”
Het vuur knettert en een houtblok verschuift. Zandkastelen gemaakt uit modder, opgevist uit een ondiepe rivier. Verfwezentjes die eerst in dezelfde rivier sprongen om de douches niet te verstoppen. Regenboogrivier.
Opnieuw midden in de nacht. Liggend op de grond onder een tafel. Te hard aan het lachen om recht te kunnen staan. Vereenzelvigd met het niveau van de humor.
Duitsland. Verkleed als dolfijn de stad intrekken. Een toneeltje opvoeren voor Duitsers die er toch niets van verstaan. Tot blijkt dat er ook heel veel Nederlanders onder de aanwezigen zijn.
Nederland. Dansen, zingen, improviseren. Niet alleen je groep kinderen, maar ook een paar honderd Nederlanders vinden het plots aangenamer wachten op de zeehondenshow.
Van een negen meter hoge rots in het water springen. Heerlijke verfrissing.
Van het dak van de boot springen. Watercantus langs het water. Gotcha met waterpistolen.
‘s Nachts over elkaar struikelen in de slaapzaal. Bijna stikkend van het lachen naar buiten rennen om de kinderen niet wakker te maken.
Met druipende kleren uit het zwembad zompen. “Het was een plaatselijke regenbui, hebben jullie dat echt niet gezien?” Ongelovige kindergezichtjes die het misschien toch beginnen te geloven.
Op de foto met een echte, opgezette dinosaurus. Heus waar! Nog meer ongelovige gezichten.

Een hand onder haar kin haalt haar blik weg van het vuur. “Gaat het wel met je?”
“Ja hoort,” antwoordt ze met een glimlach. Ze kijkt op, naar het wiegje van de pasgeborene. De volgende generatie. Het volgende hoofdstuk prachtige herinneringen.

vrijdag 17 maart 2017

Planeet Epsilon

Op een dag was ik weer in de rivier aan het zwemmen en met anderen aan het ravotten, toen ik plots een silhouet zag. Normaalgezien is daar niets raars aan, maar dit was de silhouet van een volwassene! Ik hield stil en gaf Thaisa zo de kans om me kopje onder te duwen. Toen ik proestend weer bovenkwam, keek ik in haar lachende gezicht.
Ietwat nijdig zei ik: “Ik dacht dat hier geen volwassenen waren?”
”Dat is ook zo,”antwoordde ze.
“En zij dan?”Verbaasd keek Thaisa om.
“Dat is toch een volwassene?”
“Hoe is die hier gekomen?”
“Tja, net als wij allemaal zeker?”
“Maar…”
“In elk geval kan ze hier niet blijven,” zei ik beslist. “Ik zal de anderen waarschuwen dat er een volwassene aangekomen is. We zullen ons moeten voorbereiden.”

“Wacht!” riep ze nog, maar ik was al weg naar de anderen en had geen zin om haar argumenten over liefdadigheid weer te moeten aanhoren. Het waren altijd de volwassenen die het verprutsten. Precies daarom was ik de aarde ontvlucht. Het is ook altijd hetzelfde: je mag dit niet, je zou je kunnen vuil maken, pas op, anders val je nog… Ik heb er genoeg van! Altijd dat gezeur… Hier had je er tenminste geen last van. Maar je zou zien: nu er hier een volwassene was aangekomen, zou het gedaan zijn met de pret. Alles zou weer georganiseerd moeten verlopen en binnen de kortste keren zou het hier even erg zijn als op aarde. Maar daar zou ik een stokje voor steken!
Toen ik bijna bij de anderen was, begon ik met mijn armen te zwaaien en te roepen. Ze keken nogal verbaasd op. Ik zette een sprintje in en deed toen hijgend het verhaal. Sommigen reageerden net als Thaisa: “Een volwassene? Hier? Maar hoe?”
Anderen, die hier net als ik nog niet zo heel lang waren, reageerden gefrustreerd.
“Dat meen je toch niet?”riep een meisje dat Elke heette uit. “Niet hier! Kon die nu niet gewoon op aarde blijven, waar ze hoort?”
“Tja, blijkbaar niet.”
Toen kreeg ik een idee. Er verscheen een ondeugende blik in mijn ogen.
“Wat als we haar nu eens duidelijk maken dat we haar hier niet willen?”
“Ja! Ja! Dat is een goed idee! Dat doen we! Ze moet terug naar waar ze vandaan komt!”
Anderen, waaronder Peter, een goede vriend van Thaisa, reageerden wat minder enthousiast.
“Als die hier kon geraken…” begon hij.
Maar hij werd ruw in rede gevallen.
“No way! Vergeet het! Geen volwassenen op Epsilon!”
Peter haalde zijn schouders op en samen met een groepje vrienden liep hij weg. In de richting waar ik vandaan kwam, waar ik die vrouw had gezien en Thaisa had achtergelaten. Thaisa! Waar was ze? Ik keek over mijn schouder, en zag haar met de vrouw praten. “Vuile verraadster,” dacht ik. Als het zo zat, kon ik het ook wel af zonder haar. Ik was haar tenslotte niets meer verschuldigd. Zij had mijn been genezen en ik had haar van de verdrinking gered. Huiverend dacht ik eraan terug.

Ik zwom in de rivier tussen de vissen door. Thaisa zat op de rug van een dolfijn te roepen en te zwaaien. Ik zwaaide vrolijk terug en dook onder water. Toen ik weer boven kwam, was ze nergens meer te zien. Ik keek om me heen. Waar was ze? Er ontstond een opstootje. Er had zich een groepje gevormd aan de steen vlak voor de waterval. Verder dan die steen ging je beter niet, want dan stond je een val van meer dan zestig meter te wachten. Vlug zwom ik erheen. Wat was er gebeurd? Toch niets met Thaisa? Ongerust versnelde ik mijn slagen. Toen ik aankwam, zag ik dat iedereen in paniek naar beneden tuurde.
“Wat is er gebeurt?”vroeg ik aan een jongen die vlakbij stond.
“Thaisa… Ze zat op de rug van een dolfijn. Die zette haar hier op de steen af en zwom even weg, ik weet niet waarom, misschien om de andere dolfijnen te halen? En toen…”
“Ja? Wat is er gebeurd?” Mijn stem klonk gejaagd.
“Ik zag haar op de rand van de steen staan. Ze keek naar beneden, naar de diepte van de waterval. Ik riep dat ze niet zo dicht bij de waterval mocht komen, dat ze erin zou vallen. Juist op dat moment gleed ze uit, waarschijnlijk was de steen glad geworden door het water. Ze is in de waterval gevallen.”
Ik kon zien dat het huilen hem nader stond dan het lachen.
“Rustig maar, het is niet jouw fout. Het komt allemaal wel goed.”
Maar ze was nog steeds niet boven water gekomen. Ik aarzelde. Zou ik durven? Het was wel heel hoog om haar achterna te springen… Maar zij had mijn been ook genezen. Dat gaf de doorslag en maakte dat ik zonder verder aarzelen me naar voor drong en naar beneden sprong. Achter me hoorde ik naar adem snakken. Toen viel ik. En ik bleef vallen. Tot ik met een grote plons in het water terechtkwam. Spartelend probeerde ik naar het oppervlak te zwemmen, maar ik was totaal gedesoriënteerd. Ik wist niet meer wat boven en onder was en ik sloeg in paniek. Thaisa, je vroeg me of ik van iemand houd en ik gaf een heel stom antwoord. “Maar ik houd van je, Thaisa, ik houd van je!” Ik riep het uit en kreeg daardoor een grote slok water binnen. Op dat moment zag ik licht naast me. De oppervlakte! Ik zwom erheen. Boven water gekomen hapte ik naar adem. Waar was Thaisa? Ik keek om me heen. Toen zag ik haar eindelijk. Ze lag half op de oever, de helft van haar romp en haar hoofd lagen nog in het water. Ik zwom erheen en met mijn laatste krachten sleepte ik haar helemaal op het droge. Ik legde haar op haar zij en keek toen in paniek naar boven.
“Wat moet ik doen?” schreeuwde ik schor, “ik ken geen EHBO!”
Gelukkig begon ze op dat moment te hoesten.
“Ja, ja, goed, hoest maar. Ik ben bij je.”
Ze deed haar ogen open en keek me aan.
“Je hebt me gered,” zei ze zachtjes. Lachend en huilend tegelijk door de doorstane spanning keek ik haar aan.
“Ja, dat is zo,” zei ik.
We staan dus quitte. En ze moest niet denken dat zij altijd gelijk heeft. Wacht maar eens af!

“Wacht!” riep ik nog, maar hij deed alsof hij het niet hoorde. Geërgerd schudde ik mijn hoofd. Hij was echt veel te vroeg naar Epsilon gekomen. “Nu ja, hij doet maar, ik kan hem toch niet tegenhouden. Ik hoop alleen dat hij niet iets echt stoms doet.”
Toen liep ik op de volwassene af.
“Welkom op Epsilon!” riep ik, toen ik slechts tien meter meer van haar verwijderd was.
“Dank je,”zei de vrouw. Ze had een aangename, warme stem. “Dus dit is Epsilon.” Waarderend keek ze om haar heen. “Wat is het hier prachtig! Ik denk niet dat ik het moeilijk zal vinden om me hier thuis te leren voelen.”
“Als mijn vermoedens uitkomen, zal je het nog lastiger krijgen dan je denkt,” dacht ik, maar ik sprak het niet uit.
“Ik hoop het. Mijn naam is Thaisa, die heb ik zelf gekozen toen ik hier aankwam. Net als jij mag doen, maar er steekt geen haast achter. Kom mee, dan stel ik je voor aan de anderen.”
“Zelf gekozen? Ik denk dat ik het al weet dan. Wat dacht je van Maïté?”
“Klinkt goed. Weet je het zeker?”
“Ja, heel zeker.”
“Welkom op Epsilon, Maïté.” En ik nam haar mee naar de rivier. Halverwege zag ik Peter met enkele vrienden.
“Wat is er?” vroeg ik hem.
“Thijs. Hij wil haar hier niet. Ze krijgt van hem niet eens een kans. Hij is al aan het rekruteren en plannetjes aan het smeden om haar hier weg te krijgen. Oh ja, sorry, wat onbeleefd van me. Ik ben Peter. Welkom op Epsilon.”
“Hallo. Ik ben Maïté.” Hij kijkt me vragend aan.
“Tja, Maïté is er vroeg bij om haar naam te kiezen,” zeg ik hem.
“Oh. Bij de meeste duurt dat wel even. Ze willen hier eerst even wennen.”
“Ik heb altijd al Maïté willen heten, de keuze was niet moeilijk.”
“Natuurlijk, geen probleem. Welkom, Maïté.”
“Dank je. Wie is Thijs? En waarom mag ik hier niet zijn?”
Ik zucht geërgerd. Dank je wel, Thijs, denk ik, je geeft haar niet eens een kans. En ze lijkt me zo’n sympathiek iemand te zijn.
“Thijs is hier nog niet zo lang,” antwoord ik. “Hij moet nog veel leren. Je bent welkom.” Samen gingen we naar de anderen. Toen ze ons zagen afkomen, liep Thijs weg met enkele anderen. Bende stijfkoppen!
De anderen begroetten Maïté zoals het hoort. Allemaal riepen ze haar een hartelijk welkom toe. Ik kon zien dat ze blij was. Ze had er nogal ongerust uitgezien sedert Peter had verteld over Thijs. Waarschijnlijk was ze bang dat ze hier niet aanvaard zou worden. Als het aan Thijs lag, was dat waarschijnlijk ook zo, maar hij zou er zich bij neer moeten leggen. Net als de anderen. Maïté was naar Epsilon gekomen en iedereen die hier was aangeland, hadden we gastvrij ontvangen. Dit zou nu niet anders zijn omdat het om een volwassene ging. Wie weet was Maïté niet zoals de anderen die de boel hadden verziekt op aarde. Hoe zou ze hier anders zijn geraakt?
Na de eerste kennismaking namen we haar mee naar de rivier. Ze was verrukt over de pracht van de natuur en de vele verschillende kleuren van de vissen. We keken het lachend aan en genoten zelf ook met volle teugen. Thijs was nergens te zien.
“Jammer voor hem, eigen schuld, nu mist hij alle pret.” Zonder het te beseffen had ik hardop gesproken. Peter keek me vragend aan.
“Nee, niets, ik was gewoon luidop aan het denken,” zei ik. Hij haalde even zijn schouders op en verdween toen weer onder water.

Een paar dagen verstreken. Thijs en zijn vrienden hadden geen teken van leven meer gegeven. Ik begon lichtelijk ongerust te worden. Er was toch niets gebeurd? Ik nam me voor hem de volgende ochtend te gaan zoeken, als we nog steeds niets van hem gehoord zouden hebben.
Maar het bleek niet nodig te zijn. De volgende ochtend liep ik samen met Maïté naar de rivier om water te halen. In het zand stond volgend bericht:
                                                                       
Ga terug naar waar je vandaan komt!
We willen je hier niet!!

Het was duidelijk voor wie het bericht bedoeld was. En het was even duidelijk wie het had neergeschreven. Thijs zat hier achter. Ik was woedend! Hij had Maïté niet eens een kans gegeven! Ze was niet als andere volwassenen. Ze hoorde hier. Ze had het kind in zichzelf gevonden en leefde ernaar. Zo was ze op Epsilon aangekomen

Haar probleem op aarde was dat ze totaal geen verantwoordelijkheidsgevoel had. Ze kon gewoon nooit volwassen handelen. Als ze zin had om te gaan zwemmen, ging ze gewoon. Of het nu dag was, of midden in de nacht, maakte haar niets uit. Ze ging gewoon. Of als ze ergens was, op een feest bijvoorbeeld en ze amuseerde zich niet, vertrok ze gewoon. Ze trok zich niets aan van wat anderen dachten en vond dit juist haar sterkste punt. Het spreekt natuurlijk voor zich dat ze niet zo kon blijven doorgaan. De mensen uit haar omgeving stoorden zich er enorm aan en op een dag barstte de bom.
Ze had haar vriendin beloofd om mee te gaan naar een receptie van het werk. Maar ze was het vergeten (eigenlijk had ze er ook niet zoveel zin in gehad) en was weer eens gaan zwemmen. Ze hield van het water. Natuurlijk was haar vriendin heel boos. Ze had compleet voor gek gestaan op die receptie. Vastbesloten om Maïté eens goed duidelijk te maken waar het op stond, ging ze naar haar huis. Ze belde aan en toen Maïté opendeed, stampte ze zonder boe of ba naar binnen. Toen Maïté van haar eerste verbazing bekomen was, deed ze de deur dicht en volgde haar vriendin. Die stond in de woonkamer te schuimbekken van woede.
“Wat scheelt er?”
“Wat er scheelt? Dat zal ik je eens vertellen!” Ze struikelde over haar woorden door rancune. “Dat jij mij altijd laat zitten en altijd je zin maar doet en… Ik ben het kots-, kots-, kotsbeu! In het vervolg trek je je plan maar!” Dit gezegd zijnde stampte ze weer naar buiten en sloeg de deur achter zich dicht. Totaal verbijsterd stond Maïté in de woonkamer. Dit had ze nog nooit meegemaakt. Jammer genoeg voor haar was het wel de eerste keer, maar zeker niet de laatste.
Regelmatig vergat ze een afspraak na te komen, of had ze er gewoon geen zin in, ging ze liever wandelen of fietsen. Ze verloor al haar vrienden. Ze begreep het niet: waarom kon ze niet gewoon doen waar ze zin in had? Toen hoorde ze over Epsilon, de planeet waar je kon doen wat je wilde, waar er enkel liefde heerste en geen haat of racisme bestond, de plaats waar er geen verplichtingen waren en je volledig vrij was.

Maar van dit alles wist Thijs niets. Hij had het niet willen weten. Hij had meteen geoordeeld over haar, zonder haar te kennen of zelfs maar even met haar te praten. En nu deed hij dit… Ze vreesde dat het hier niet bij zou blijven. Ze moest met hem praten.
“Weet je wel wat je doet? Waar was dat voor nodig?”
“Het was nodig om haar hier weg te krijgen! Een volwassene! Die hoort hier niet!” Hij schreeuwde. Ik begon ook te roepen: “Nee, Thijs, jij bent het die hier niet hoort!” Verbaasd zweeg hij.
“Wat?”sputterde hij. “Ik hoor hier niet?”
“Nee,” antwoordde ik iets kalmer, “je moet begrijpen dat volwassen zijn niets met leeftijd te maken heeft. Het is een manier van denken. Wat denk je dat je aan het doen bent? Doet dat je niet heel erg aan iets denken?”
“Ik…”
“Aan de aarde misschien?”
Toen zweeg hij. “Ja, eigenlijk wel,” fluisterde hij ongelukkig.
Hij had het eindelijk begrepen.

Herfstkledij: een mythe


Op een dag riepen Hera, de godin van het huwelijk en het gezin, en Demeter, de godin van de landbouw en het graan, hun goddelijke modeontwerper Bikkembergos bij zich. Na een paar duizend jaar wilden ze wel eens een nieuwe garderobe. Hera, de echtgenote van Zeus, had ook nog een speciaal verzoek: ze wou een geheel nieuw feestgewaad om te dragen op haar 5000ste huwelijksverjaardag.
“Hm,” was de reactie van Bikkembergos, “ en welke stijl hadden de dames in gedachten? Iets traditioneels of toch maar modern? Punk kan natuurlijk ook altijd. Ook gothic is een optie, of hadden jullie liever iets kleurrijks, in plaats van al dat zwart? Je zegt het maar!”
“Maakt mij niet uit,” sprak Demeter, “als het maar natuurlijk oogt.”
“Wee je gebeente als je mijn lijn beledigt!” voegde Hera er nog gauw aan toe.
Daar kon de modeontwerper het mee doen.

Hij zuchtte en dacht lang na, want hij wist als geen ander dat hij vooral Hera beter niet voor het hoofd kon stoten. Ze kon streng straffen. Heel streng. Soms onredelijk streng, maar dat zei je beter niet hardop. Eigenlijk was het al gevaarlijk om dat alleen maar te denken.
Uiteindelijk dacht hij er iets op gevonden te hebben. Demeter wou iets natuurlijks, wel, hij zou zijn inspiratie uit de natuur halen. En daarmee kon hij ook Hera paaien, want zij was de kleindochter van Gaia, Moeder Natuur. Perfect, hij had het gevonden. Nu kon hij aan de slag.

Eerst liet hij de bladeren aan de bomen verkleuren, in verschillende kleuren, zodat de godinnen konden kiezen. Natuurlijk was hij niet zo dom om ook de naalden van naaldbomen te laten verkleuren. De godinnen zouden erg vertoornd zijn, omdat hij hen met naalden had willen kleden.
Nadat hij de bladeren verkleurd had, mochten de godinnen de kleuren voor hun gewaad kiezen. Demeter koos de gele bladeren, Hera besloot, na lang te hebben getwijfeld, een kleed te dragen dat rood was, met hier en daar een bruin of geel blad.
Toen kon Bikkembergos pas echt beginnen. Hij liet de bladeren van de bomen dwarrelen en ving de mooiste exemplaren op om te verwerken in de kledij van de godinnen. De rest viel op de grond en bleef daar liggen tot de wind hen wegblies.

Toen hij de gewaden afgewerkt had, liet hij beide godinnen komen om te passen. Tot zijn grote opluchting paste alles perfect en waren beide godinnen zeer tevreden. Hera was erg blij omdat de andere godinnen op haar feest de ogen uit hun hoofd zouden kijken en zouden stikken van jaloezie. Daarom gaf ze hem de opdracht voortaan ieder jaar een nieuw kleed voor haar te maken met de bladeren, maar wel telkens met een ander patroon.
Dit maakte Bikkembergos wel lichtjes ongerust, want hij had heel veel bladeren nodig gehad, zoveel dat er bijna geen meer aan de bomen hingen. Hoe kon hij dan ieder jaar een gewaad maken?
Aarzelend legde hij zijn probleem voor aan de godinnen. Demeter begreep het en verschafte hem een oplossing: “Ik zou het maar moeilijk kunnen aanzien als de bomen het hele jaar door geen bladeren zouden hebben en bovendien ben ook ik erg tevreden over je werk. Nu ben ik echter niet in de stemming, want mijn dochter Persephone is zopas ontvoerd. Ze komt pas over enkele maanden terug. Zolang verblijft ze in de onderwereld, bij Hades.” Nu kwamen er tranen in haar ogen. “Ach, ik mis haar zo! Maar,” en nu klonk haar stem al vaster en strijdlustiger, “als ze terugkomt, dan zal ik opnieuw bladeren aan de bomen hangen. Iedereen zal weten dat mijn lieve Persephone terug is en iedereen zal meevieren, tot de bomen toe. Als de huwelijksverjaardag van Hera en Zeus er dan weer aankomt, kan je opnieuw de bladeren aan de bomen gebruiken.”
Nu sprak ook Hera: “Dit is heel nobel van je, Demeter, en ik steun je in je verdriet. Bikkembergos, ik ben heel tevreden over je en daarom mag je me om een gunst vragen.”
Bikkembergos hield geschrokken zijn adem in. Een gunst! Hij mocht Hera om een gunst vragen! Dit was een eer die maar weinigen te beurt viel.
“Wel, euh,” stamelde hij, “ik zou graag hebben dat u de kledij naar mij vernoemt.” En zo gebeurde…