“Maar ik kan toch niet van de glijbaan gaan, daar ben ik echt al veel te oud voor!”
In een flits zag ze haar grootouders voor zich, terwijl ze, allebei de tachtig al voorbij, giebelend van de glijbaan naar beneden kwamen. Om daarna met een guitige twinkeling in hun ogen
de reacties van de omstaanders te peilen.
“Nee, geloof me, je kunt echt niet te oud zijn om van de glijbaan te gaan. En ik heb altijd gelijk,” voegde ze er uitdagend aan toe.
“Jaja, het zal wel. Als jij het zegt.”
“Jup, ik zeg het!” Lachend keek ze hem aan. “Kom je nu nog?”
“Al goed, al goed.” Zuchtend, maar inwendig grijnzend, klom hij langs het houten raamwerk naar boven. Hij moest zijn lijf zowat in drieën plooien om tussen twee houten
latten te kunnen klauteren, die toegang gaven tot de glijbaan. Nu kon hij door het ronde, grijze gat kijken, waar hij zo dadelijk doorheen zou zoeven. Een bruine kring in het gras markeerde de plek waar hij zou landen.
Eerst moest hij echter nog langs de “bewaker” heen. Een klein meisje, van een jaar of vijf staarde hem brutaal aan. “Wat doe jij hier?” vroeg ze bazig.
Bijna schoot hij in de lach. Dat kleine ding dat zo parmantig de glijbaan bewaakte, bedoelde het echter heel serieus. Ze legde het hoofd in de nek en keek onbevreesd naar hem op. Deze glijbaan
was van haar en ze duldde geen indringers. Hier was zij de baas.
“Ik wil graag van de glijbaan gaan,” speelde hij haar spel mee, echter niet in staat om een glimlach te onderdrukken.
“Jij?”
“Ja, ik. Mag dat?” vroeg hij. De sarcastische ondertoon ontging haar. Het vijfjarige geweld zag zichzelf er echt toe in staat om hem, een volwassen man, tegen te houden. Het
was gewoonweg vertederend.
“Ben jij niet te oud om van de glijbaan te gaan?” Ze keek hem wantrouwend aan.
“Blijkbaar niet,” antwoordde hij met een zucht. Hij wierp een blik over de houten balustrade heen naar het eigenwijsje dat beneden aan het speeltuig lachend stond toe te kijken,
erg blij met zichzelf omdat ze hem in deze situatie had weten te manoeuvreren.
Enkele weken eerder had hij laten vallen hij het echt veel te ver vond gaan om van de glijbaan te gaan. Dat kon toch niet, als volwassen man! Hij wilde best eens gek doen, maar er waren
grenzen...
De avond daarop waren ze met enkele vrienden iets gaan drinken. Even bijkletsen, ze hadden elkaar al lang niet gezien. Nadien zou ze voor het eerst met hem meegaan naar zijn huis. Ze hadden
afgesproken dat zij zou rijden en dus niet zou drinken. Hij zou wel voor gps spelen: “Over honderd meter, sla links af”, had hij zijn computerstem alvast geoefend.
Hoe meer de avond vorderde, hoe losser de sfeer werd. De drank vloeide rijkelijk en de coördinatie begon bij sommigen al wat te wensen over te laten. Zo slaagde Sven erin om het schaaltje
met zongedroogde tomaatjes over haar heen te gooien door naast zijn Duvel te grijpen. Hij was rechtgestaan om haar te helpen met opruimen en toen hij haar daarna op zijn schoot wilde trekken, deed hij dat zo onhandig dat de
stoel - die, moest ze toegeven, al redelijk wankel was - instortte, waardoor ze allebei op de grond belandden.
Lachend had ze hem gevraagd of hij straks de weg naar zijn eigen huis nog wel zou weten te vinden. Hij had haar zelfverzekerd aangekeken: “Natuurlijk, het is toch mijn eigen huis!
Dat zou wel heel erg zijn! Als ik dat niet meer weet, dan... dan... Dan mag je... Ehm...” Aan zijn gepijnigde blik te zien deed hij een poging om na te denken.
Ze greep haar kans. “Ik heb wel een idee: als je de weg niet meer weet, dan ga jij van de glijbaan af!”
Hij knipperde even met zijn ogen en toen begon hij te lachen. “Ok, deal! Maar dit gaat niet gebeuren, hé, dat weet je toch?”
“We zullen zien...” Triomf flikkerde in haar ogen. Dit zou leuk worden.
Twee uur en vijf biertjes later hielp ze hem in haar auto. Ze hield de deur langs de passagierskant open en stond hem toe om op haar te steunen terwijl hij instapte. Eenmaal hij zat, deed
ze de deur dicht en liep ze zelf om de auto heen, oplettend dat ze met haar hakken niet in de gleuven tussen de kasseien bleef haken. In het licht van de lantaarnpaal zag ze hoe hij een poging deed om de gordel om te doen.
Ze stapte in.
“Dus.”
“Stomme... gordel...” gromde hij. Ze boog zich over hem heen, nam het stuk gordel waar hij mee aan het vechten was van hem over en klikte hem vast.
“Dus,” herhaalde ze. “Waar moet ik heen rijden?”
“Ga maar gewoon rechtdoor. En dan de tweede, nee de derde links.”
“Wat is het nu?” vroeg ze pestend, “de tweede of de derde?”
“De derde... Denk ik.”
Ze schoot in de lach. “Je weet wat we afgesproken hebben hé, als je de weg niet weet, dan ga je van de glijbaan.”
“Ik weet het echt wel!” riep hij verontwaardigd uit.
“Uhuh...”
Ze startte de motor, schakelde naar eerste en reed de parkeerplek uit. Het was stil op straat, iedereen sliep al. Enkele lantaarnpalen verlichtten het kasseistraatje. Een dronken man stak
waggelend de straat over. Een kat sprong op de vensterbank van het huis met de groene deuren. Bij het derde kruispunt sloeg ze linksaf. De auto stopte met hobbelen, deze straat was van asfalt. Gelukkig maar, want haar menselijke
gps zag er wat groenig uit. Hier stonden er echter geen lantaarnpalen meer, dus het enige licht in de omgeving kwam van haar koplampen. Ze reden over een klein baantje tussen de velden, met langs weerszijden een greppel. Af
en toe was er een scherpe bocht, dus ze moest goed opletten om niet naast de weg te belanden.
“Weet je zeker dat we goed rijden?” vroeg ze pesterig. Hij gromde wat. De wereld bestond uit maïshalmen die voorbijzoefden. Uiteindelijk kwamen ze op een grote baan uit.
Het felle licht van de straatlantaarns en de uithangborden stond in sterk contrast met het donkere landweggetje waar ze net overheen waren gereden.
“Waarheen?” vroeg ze.
“Links,” mompelde hij. “Nee wacht!” Hij ging wat rechter gaan zitten en bekeek de straat aandachtig. Groene, paarse en gele lichten liepen door elkaar. De bakker
met de veel te grote witte muts, die als uithangbord voor de bakkerij diende, zwaaide alle kanten op. De grote bomen schuin naast de bakkerij wuifden, ze wezen naar rechts.
“Rechts,” zei hij daarom maar.
Ze reed naar rechts. De witte muts staarde hem na. Had hij toch de verkeerde kant gekozen? Hij wist het eigenlijk echt niet meer. Ingespannen tuurde hij naar de huizen, op zoek naar een
herkenningspunt. Daar, dat gebouw met de grote ramen en de rare koepel op het dak, dat herkende hij. “Hier naar links,” zei hij. “Oeps, ik bedoel: sla hier links af,” deze keer gebruikte hij zijn ingeoefende
computerstem. Hij voelde zich al wat zelfzekerder.
“Weet je zeker dat deze gps de weg weet?” vroeg ze plagend.
Hij snoof. De weg naar zijn eigen huis moest hij toch echt wel kennen. Alleen zag alles er zo wazig uit. Huizen en bomen speelden haasje over en wisselden van plaats.
Een halfuur later waren ze nog steeds rondjes aan het rijden. “Hoe zat het nu toch weer... Hier links!” riep hij plotseling uit, toen ze langs een huis reden met een reclamebord
aan de muur. De te grote pot chocopasta lachte hem toe. Ze reed naar links. “Nee, oeps, ik bedoelde eigenlijk rechts.”
Lachend keerde ze de auto. “Huh waar zijn we nu?”
“Ok, zo is het genoeg geweest.” Ze zette de auto langs de kant, midden op de stoep. Op dit late uur was er toch niemand anders op straat. Ze reikte naar het handschoenkastje
en haalde de gps eruit.
“Nee, geen gps, ik weet het best zijn!”
“Jaja, vast, daarom zijn we al een halfuur bezig over een ritje van vijf minuten. Het is mooi geweest, ik wil naar bed. En jij gaat binnenkort van de glijbaan!”
Hij gromde, maar liet haar toe om de gps in te stellen op zijn adres. Drie minuten later waren ze er.
De volgende ochtend had hij nog geprobeerd er zich uit te praten door te beweren dat hij niet veel meer wist van wat er de vorige avond gebeurd was. Maar toen ze hem haarfijn begon uit
te leggen hoe alles verlopen was, moest hij wel toegeven. “Argh, jij je zin, ik ga wel van de glijbaan.” Hij zuchtte diep.
“Hm.” Het kind keek hem onderzoekend aan. Hij beantwoordde haar blik. Twee paardenstaartjes wiebelden heen en weer, doordat ze haar hoofd met een rukje schuin had getrokken.
De sproetjes op haar wangen accentueerden het blozende gezichtje, dat zo onbevreesd naar hem opkeek, helemaal overtuigd van haar recht om hem al dan niet de toegang tot de glijbaan te ontzeggen.
“Goed dan!” Gracieus liet ze hem erlangs, zodat hij zich in het grijze gat kon storten.
Met wapperende haren kwam hij een tel later beneden aan.
“Was dat nu zo erg?”
“Vreselijk!” antwoordde hij knipogend en met een grote grijns op zijn gezicht.