De verhalenspin

Er leeft een spin in mijn hoofd. Zoals alle spinnen weeft mijn spin webben. Maar het zijn geen gewone webben: mijn spin weeft verhalenwebben. Draadje per draadje, zin per zin. Ideeën die door mijn hoofd waaien blijven kleven en vallen ten prooi aan de spin, die ze lustig in haar web verweeft. Sommige webben zijn heel klein, bestaan uit slechts enkele draadjes. Andere nemen meer plaats in, overwoekeren mijn gedachten. Opdat het niet al te stoffig zou worden in mijn hoofd, heb ik dus besloten om de spinnenwebben uit te schrijven in de vorm van verhalen. En aangezien mijn spin voldoende voedsel nodig heeft, zijn ideeën altijd welkom, wie weet blijven ze plakken en zie je ze terug in een van de verhalen die ik post.

dinsdag 25 juli 2017

Hardloopwedstrijd voor olifanten

En dan nu: de vijf kilometer hardlopen voor olifanten! Daar staan ze al klaar aan de startlijn. We zien Dumbo in het roze, hij is gekend omwille van zijn vliegende starts. Daarnaast staat Ollie. Daar zal Dumbo voor moeten opletten, want Ollie is berucht omdat hij het betere slagtandenwerk niet schuwt. Daar hebben we ook nog Troela en Tuttebel. Excuseer, Mia en Ria, de befaamde tweeling die stevast in tutu aan de start verschijnen. Vandaag hebben ze zo te zien voor een babyblauwe gekozen.
Daarmee hebben we de belangrijkste titelkandidaten overlopen, tenzij er een van de kleinere giganten besluit om te verrassen. Jaja, het gaat beginnen. Ze zetten zich schrap: drie, twee, een, daar gaan ze!
En ja hoor, ze zijn al meteen goed vertrokken! Wat een gedaver van jewelste is dit toch altijd! Prachtig om te zien vanaf hier: al die geweldige kolossen die er als een speer vandoor gaan. Maar ik zou niet aan de zijlijn willen staan! Elke keer opnieuw worden de toeschouwers door elkaar geschud, vallen flesjes bier van de tafeltjes,... De mensen die hier wonen, die zijn te beklagen. Hun huizen worden flink door elkaar geschud!
Maar goed, terug naar de wedstrijd. Even kijken. Ollie loopt aan de leiding, gevolgd door Mia en Ria. Daarna, op enkele meters afstand volgt Dumbo. Het is wel erg vroeg in de wedstrijd om nu al, na amper vijfhonder meter, achter te liggen, zal hij dit nog kunnen goedmaken? Langs de andere kant: de weg is nog lang, de wedstrijd is nog lang niet gelopen, maar de start had zeker beter gekund!
Ai, wat is dat! Mia ligt languit op de grond, ze moet ergens over gestruikeld zijn, misschien wel over haar eigen poten! Het ziet er niet al te ernstig uit, ze komt alweer overeind, maar ze heeft nu wel een flinke achterstand. Dat wordt lastig om nog in te halen! En zo te zien zullen er ook wegenwerken nodig zijn, want wat een krater heeft ze in de weg slagen! Kijk, men zet er al signalisatieborden rond, zodat niemand erin valt. Zo’n diepe krater, je ziet dat ze behoorlijk hard neergekomen is! Maar intussen heeft ze er weer vaart achter gezet en probeert ze om de rest weer bij te benen, dat wordt nog een hele klus.
Intussen is het vooraan spannend. Dumbo is dichterbij kunnen komen, hij kon nog tijd op tijd opzij springen toen Mia ten val kwam, en intussen is hij bijna op gelijke hoogte met Ria, terwijl Ollie slechts twee meter voorsprong op hen heeft. We zijn bijna halverwege de wedstrijd, beste kijkers. Ollie kijkt even om, Dumbo vindt zelfs nog de energie om naar hem te toeteren: die zit nog lang niet op zijn tandvlees! “Hier kom ik,” bedoelt hij, want intussen ligt hij een half metertje voor op Ria. Zo te zien is haar blauwe tutu wat aan het afzakken. Met haar slurf houdt ze hem op, het ziet er nogal potsierlijk uit. Nooit eerder vertoond bij deze olifantenhardloopwedstrijd: een kandidaat verliest bijna haar kledij!
Mia zijn we zo te zien helemaal kwijt, die probeert nog steeds achteraan het peloton aan te klampen. De kans dat zij nog vooraan raakt lijkt onbestaande.
Op anderhalve kilometer van het einde ziet het ernaar uit dat het een sprint wordt tussen Ollie en Dumbo, die intussen nog slechts een metertje achter Ollie rent. Hij steekt zijn slurf uit en... Wat doet Dumbo nu?! Hij grijpt Ollies staart met zijn slurf! Dat is niet bepaald sportief te noemen! Nu komen ze op gelijke hoogte. Ollie probeert zijn ritme opnieuw te vinden, Dumbo steekt hem langzaam maar zeker voorbij, het is een kwestie van centimeters geworden! O jee, hij kan maar beter wat verder bij Ollie in de buurt blijven, want - zie je wel, daar heb je het al: Ollie boort zijn slagtand in Dumbo’s zij. Hij zal straks wel weer verklaren dat het echt per ongeluk ging toen hij een vlieg uit zijn gezicht wilde wuiven of zoiets, maar dit leek me heel erg opzettelijk. Nu ja, niet helemaal onterecht na dat akkefietje met die staart daarnet. Van de schrik is Dumbo een metertje opzij gesprongen, waardoor Ollie opnieuw de leiding kon nemen. Nog een kilometer tot aan de finish, het wordt spannend!
Ze daveren de bocht om, die arme huizen langs de weg daveren helemaal mee, en...

Abrupt stopt het geluid. De bovenbuurman is klaar met wat het ook was dat hij aan het doen was. “Toe, we willen het vervolg!” roepen Ted en Simon.
“De wedstrijd is over voor vandaag,” glimlacht papa. “Morgen gaat hij vast verder. Nu is het bedtijd. Slaap lekker allebei.” Hij geeft hen een kus op de wang en stopt hen in.
“Welke olifant heeft er nu gewonnen?” vraagt Ted nog.
“Dat zul je misschien wel zien in je dromen,” antwoordt papa. “Droom het vervolg en laat het me morgen weten, goed?”
Ted en Simon knikken. “Slaap lekker!”
“Slaap lekker!”

vrijdag 14 juli 2017

Het mannetje op de maan

Hé, hallo, ik had je niet gezien! Hoe gaat het? Leuk dat je even langskomt! Er komt hier bijna nooit iemand. En als er al iemand komt, dan planten ze een vlag, nemen een stukje rots mee en verdwijnen ze meteen weer. Er heeft nog nooit iemand de tijd genomen om even een praatje te slaan met mij.
Je zou denken dat ik vrij hard opval tegen al die saaie, grijze rotsen hier, aangezien ik altijd een knaloranje outfit draag, hèhè. Maar nee hoor, niemand besteedt ooit enige aandacht aan mij. Misschien denken ze dat ik te klein ben om van enige betekenis te zijn, maar dat hebben ze dan verkeerd! Ik, meneer, ben namelijk de bestuurder van de maan. Jaja, dat de maan altijd in een mooie baan rond de aarde draait en er nooit eens mee botst, dat komt door mij! Ik oefen deze functie nu al meer dan vijfduizend jaar uit, waarvan vierduizend jaar in m’n eentje. Mijn voorganger was tienduizend jaar lang de bestuurder van de maan. Hij heeft het me geleerd. Duizend jaar leertijd, dat valt best mee toch? Over een paar duizend jaar neem ik ook een leerling. Hopelijk leert die het dan even snel, zodat ik daarna vlot en met een gerust hart met pensioen kan gaan.
Natuurlijk is het in al die jaren wel eens misgelopen. Het is helemaal niet zo gemakkelijk om zoiets groots als de maan te besturen hoor! Zeker niet als je zelf maar een klein opdondertje bent, hèhè.
Als de Galliërs vroeger bang waren dat de hemel op hun hoofd zou vallen, tja, dan heeft dat wel een gegronde reden. De maan is namelijk eens bijna op hun hoofd gevallen! Oeps… Foutje, hèhè! Achja, kan gebeuren. Uiteindelijk wist ik de maan weer op te trekken. Dat was net op tijd, want ze was nog maar tien meter meer van het grondoppervlak verwijderd! Daarna duurde het ook een hele tijd eer ze weer in een goeie baan rond de aarde was.
En de Maya’s, die wisten zoveel over de beweging van de sterren omdat mijn voorganger het hen geleerd had, in ruil voor hun hulp. De maan zat toen in een moeilijke fase en was recht op hun grondgebied afgekomen! Ze was neergestort in een bos en even blijven verder rollen, zodat er hele hectares bos plots platgewalst weideland waren geworden. De Maya’s hebben toen met vereende krachten geholpen om de maan van een helling naar beneden te rollen, zodat ze genoeg vaart had om terug de ruimte in te kunnen gestuurd worden. Dat moet me een zicht geweest zijn: duizenden mensen die de maan voortduwden, hèhè! Ter herdenking hebben de Maya’s nadien enkele tempels opgericht op de plek waar de maan neergestort was en ook op de plek waar ze haar hebben geholpen om terug in de lucht te komen.
O, en het uitsterven van de dinosaurussen? Dat was geen komeet… Tja, een van mijn voorgangers, ik heb hem nooit gekend, dat is net iets te lang geleden, was in slaap gevallen. Tijdens zijn dienst, dat geloof je toch niet! Dus toen stortte de maan neer… Er waren toen nog geen mensen die hem hadden kunnen helpen, met als gevolg dat er toen een hele tijd geen maan aan de hemel gestaan. Wat een ramp was me dat! Neenee, dat moet geen leuke periode geweest zijn! Ik heb er eigenlijk geen idee van hoe ze het uiteindelijk hebben weten op te lossen.
Nu ja, het gaat dus wel eens mis. Maar we doen ook veel goede dingen hoor! Soms vang ik een komeet op die anders op de aarde zou neerstorten. Hier op deze kale rotsen kan dat toch geen kwaad. Daarna is het altijd wel een beetje aanpassen, want de verdeling van het gewicht is dan veranderd doordat er stukken rots zijn losgebroken en verschoven. De eerste paar maanden zwalp ik dan een beetje door de ruimte, maar hé, geen haan die ernaar kraait, want er zijn hier helemaal geen hanen, hèhè!
Sorry, sorry, flauw mopje. De mensen op aarde zouden het kunnen merken, als ze erop letten: de getijden zijn dan wat extremer. Niet veel hoor, het scheelt gewoon een paar meter. Als er dan ook nog eens net springtij is, tja… Maar wat maakt een metertje dan nog uit? Dat valt de mensen trouwens helemaal niet op. Wat kan hen het ook schelen? De getijden hebben iets met de maan te maken, meer willen ze niet te weten. Dat hoeft ook helemaal niet, ik regel het allemaal perfect voor hen. Maar denk je dat ze daar dankbaar voor zijn? Ho maar… Alles wat ik zou willen is dat er wat vaker iemand met me kwam praten, zoals jij nu. Het is maar eenzaam, hierboven op de maan. En de rotsen, tja, het interesseert hen niet bepaald wat ik te vertellen heb. In elk geval antwoorden ze nooit, hèhè.
Maar echt, de laatste paar eeuwen gaat het erg goed. Het laatste incident is zelfs al bijna vier eeuwen geleden! Dat vind ik een hele prestatie, toch?
Ongeveer een halve eeuw geleden was het wel even heel nipt. Ik schrok me helemaal te pletter! Plots kwam er een ruimtetuig regelrecht op mij af, zonder enige waarschuwing. Dat geloof je toch niet! Ik schrok zo hard dat de maan ervan begon te zwalpen, maar gelukkig was ik alert genoeg en kon ik ze vrij snel terug in de goede baan krijgen. Ik geloof niet dat de mensen in dat ruimtetuig er iets van gemerkt hebben.
Dat was trouwens de allereerste keer dat ik bezoek kreeg van mensen. Ze hadden echter helemaal geen aandacht voor mij. Ze maakten er eerst een heel gedoe van om uit dat ruimtetuig te komen, dan plantten ze een vlag neer, zonder er rekening mee te houden dat dat ook een invloed zou kunnen hebben op de baan van de maan. Jaja, de baan heeft een delicaat besturingssysteem, meneer! Maar denk maar niet dat dat de mensen iets kan schelen! Ik los het wel op, zoals steeds! Geen greintje respect. Het is toch zo?
In elk geval ben jij hier nu en je hebt niet eens een vlag bij! Kwam je echt speciaal om mij te bezoeken? Dat is zo lief van je! Heb je wel een goede reis gehad?
Hallo? Ben je daar nog? Hallo…?

dinsdag 6 juni 2017

Sauna

Het water klotste over de rug van de roze olifant. Elke verzette poot veroorzaakte een golfslag in het krappe zwembad. Het water stroomde verder en verder over de rand bij elke trede die de gigant afdaalde. Een roze slurf slurpte een deel ervan op en hield het even in, vooraleer de gigant zijn slurf boven zijn hoofd hield en het water er als een douche uitstortte. Heerlijk!
De olifant had geen plaats om zich om te draaien: daarvoor was het zwembad te smal. Aan weerszijden was er nog ongeveer een halve meter ruimte over tot aan de rand. Het grootste gedeelte van het zwembad werd echter ingenomen door het logge beest dat nu uitgebreid van een douche stond te genieten.
Twee giraffen deden de deur van het saunacomplex open. Toen ze zagen dat het zwembad nogal vol zat, liepen ze naar de tegenovergestelde muur, waar de douches waren. Ze moesten hun lange nekken behoorlijk buigen om eronder te passen. Het zag er niet echt elegant uit, maar uiteindelijk lukte het wel als ze een beetje door hun poten zakten en hun nek scheef hielden. Ze rilden door het koude water en bleven er dan ook niet echt lang onder staan. Na een minuurtje verdwenen ze alweer naar het stoombad.
In een andere ruimte wreef een eenhoorn zijn hoorn in met chocola. Een volledig chocoladebad zag hij niet zitten: zijn mooie, donkerpaarse vacht insmeren met die vuiligheid, geen sprake van! Maar chocola scheen goed te zijn voor de huid en zijn hoorn was zijn grote trots, dus die wilde hij wel even verwennen met een dikke laag chocola.
Drie konijntjes hadden geen last van dergelijke complexen. Zij waren volop aan het ravotten in het chocoladebad, hun vacht vol bruine plekken. Het grootste onder hen zwiepte met zijn oren, waardoor er twee klodders chocola door de lucht vlogen. De eerste belandde vlak bij het kleinste konijn, dat nauwelijks zijn kopje boven de bruine, stroperige vloeistof kon houden en nu proestend ten onder ging. De tweede klodder vloog met een majestueuze boog door de lucht om midden op de kop van de eenhoorn te belanden, vlak boven de hoorn, tussen de twee ogen die het grote konijn zo kwaad aanstaarden dat het dacht elk ogenblik vlijmscherpe dolken door de lucht op zich af te kunnen zien komen vliegen. De drie stopten met spelen en hielden geschrokken hun adem in om de reactie van de eenhoorn af te wachtten. Met een koninklijk gebaar veegde deze de traag naar beneden glijdende klodder bruin van zijn paarse vacht en na een laatste, minachtende blik op de drie konijntjes, liep hij naar buiten, naar de grote hal waar de roze olifant nog steeds lustig aan het baden was. Terwijl de konijntjes luidruchtig hun gespetter en gejoel hervatten, vleidde de eenhoorn zich neer op een van de banken langs de muren om de chocola de tijd te geven om in te werken op zijn hoorn. Op dit moment zag het er niet uit, maar straks zou hij zijn grote trots weer fier vooruit kunnen steken.
Intussen begon de roze olifant aanstalten te maken om uit het zwembad te komen. Aangezien er slechts één trap was in het vierkante zwembad, zou hij zich eigenlijk moeten omdraaien om eruit te kunnen klimmen waar hij erin afgedaald was. Daar was er echter helaas geen ruimte voor. De olifant had beter even nagedacht voor hij vol enthousiasme het zwembad in gespetterd was: hoe moest hij er nu in godsnaam weer uitgeraken? Maar er stonden al een heel aantal dieren te wachten die vonden dat het hun beurt was om te zwemmen, dus besloot hij het toch maar te proberen. Langzaam liep hij achteruit, goed oplettend om zijn grote, logge, roze poten telkens een trede hoger te zetten, zonder dat hij die treden ook daadwerkelijk kon zien. Een paar treden lang ging het goed, tot hij opeens toch naast de volgende stapte. Met een luide plons ging het beest onderuit. De wachtende dieren sprongen haastig naar achteren, beducht voor de vloedgolven die uit het zwembad stroomden als gevolg van de val van de olifant. Proestend als een fontein kwam eerst een uitgestoken slurf boven water, gevolgd door de rest van de grote, roze kop.
Geërgerd door alle commotie die zijn rust verstoorde, opende de eenhoorn zijn ogen nog net op tijd om een vloedgolf op zich af te zien komen. Hij probeerde nog om uit de bank te springen en opzij te rollen, maar het was al te laat: het water plenste vol in zijn gezicht. Chocola droop van zijn hoorn naar beneden. Spetters chocola vlogen in het rond en besmeurden zijn vacht. In zijn wiek geschoten liep de eenhoorn op het zwembad af en plantte hij de punt van zijn hoorn in de bil van de olifant, die door de plotse, scherpe pijn een geschrokken sprongetje maakte. Hierdoor ontstond er uiteraard weer een vloedgolf, waardoor alle dieren opnieuw achteruit weken. Met een zucht zag de eenhoorn in dat hij het anders zou moeten aanpakken. Kordaat liep hij naar de andere kant van het zwembad tot hij de olifant kon aankijken: “Grijp mijn hoorn vast, ik trek je er wel uit,” bood hij aan.
Dankbaar keek de olifant naar het paarse beest op. Hij stak zijn slurf uit en krulde die voorzichtig rond de aangeboden hoorn. “Maak je maar geen zorgen: hij zit stevig vast,” moedigde de eenhoorn hem aan. De olifant greep de hoorn nu iets steviger vast, waarna de eenhoorn langzaam enkele passen naar achteren deed. Hij moest wel buitengewoon sterk zijn om dat gewicht te kunnen dragen, bedachten de toekijkende dieren verwonderd. De olifant legde nu zijn zware voorpoten op de rand van het zwembad en bewaarde zijn evenwicht vooral door op zijn achterpoten te steunen. Het zag er best komisch uit: de paarse eenhoorn met chocoladevlekken op zijn vacht die de roze olifant aan zijn slurf uit het zwembad trok.

Ze schiet in de lach bij dit mentale beeld.
“Wat krijg jij nu ineens?” Ze kijkt op, recht in de lachende ogen van haar vriendje. “Zie je weer roze olifanten?” vraagt hij haar plagend. “Dat derde glas wijn was dan misschien toch niet zo’n goed idee.”
“Jawel hoor! Ik moet net vaker wijn drinken, als ik dat soort fantastische hallucinaties krijg,” antwoordt ze lachend. “Maar misschien inderdaad niet meteen. Ik heb mijn portie voor deze maand wel gehad.” Na een moment stilte voegt ze eraan toe: “Weet je wat, deze maand zal ik geen wijn meer drinken.”
“Je weet dat we vandaag de dertigste zijn he?” Hij begraaft haar onder een knuffel, zodat ze gelukkig niet hoeft te antwoorden.
Misschien kunnen ze morgen wel even samen naar de sauna gaan, bedenkt ze met een glimlach, terwijl ze zijn knuffel beantwoordt.

dinsdag 9 mei 2017

Het draakje dat een schildpad wilde zijn

“Maar ik wil een schildpad zijn!”
Papa en mama schudden het hoofd. “Alweer die onzin? Waarom zou je dat willen? Schildpadden zijn log en traag! En ze kunnen niet eens vliegen en ook geen vuur spuwen!”
“Maar ze hebben een hard schild om zich te beschermen en ze kunnen verstoppertje spelen met zichzelf!” sprak het kleine draakje tegen. Zijn groene staart met paarse schubben sloeg heen en weer over de gladde, witte tegels van de woonkamer. Terwijl hij sprak, ontsnapten er kleine vonkjes uit zijn mond. Dat kwam omdat hij opgewonden en een beetje kwaad was. Dan kon hij zich niet zo goed beheersen. Een vonkje kwam terecht op het vloerkleed en begon te smeulen. Verstrooid trapte papa draak de vonk uit. Hij merkte zelfs niet dat hij het deed, zo geroutineerd was de beweging. Draken, zeker kleine, opgewonden draakjes, zetten af en toe eens iets in de fik, zo ging dat nu eenmaal. Volwassen draken konden de open haard of de barbecue aansteken met hun adem. Kleine draakjes probeerden hen vaak na te doen, maar dat lukte slechts zelden. Controle over het vuur kwam pas met de jaren. En zelfs dan lukte het niet goed als je kwaad of opgewonden was. Dan konden er nog weleens ongelukjes gebeuren. Daarom hadden draken nooit houten meubels en stonden er doorheen het hele huis emmers water om te kunnen blussen wanneer dat nodig was.
“Ik. Wil. Een. Schildpad. Zijn!” riep Draco uit. Elk woord veroorzaakte een steekvlam.
Papa en mama draak zuchtten diep. “Je kunt geen schildpad zijn, Draco. Je bent als draak geboren, daar kun je niets aan veranderen.”
Gefrustreerd draaide het kleine draakje zich om. Zijn ouders begrepen er niets van! Stampvoetend liep hij de woonkamer uit. Een familiefoto viel van de muur, zo hard trilde het huis. Want zelfs kleine draakjes zijn minstens vijf meter groot eten wegen algauw meer dan 700 kg. Stampvoetende kleine draakjes kunnen dus kleine, plaatselijke aardbevingen veroorzaken, wat ook nu weer het geval was.
Op zijn kamer vouwde Draco zijn vleugels mokkend om zich heen. Plots kreeg hij een idee. Maar dan moest hij wel zorgen dat zijn ouders het niet zouden merken. Voorzichtig sloop hij langs de trap terug naar beneden, naar de keuken. Dat was nog een hele onderneming. Poot per poot zette hij voorzichtig neer. Sommige treden kraakten, maar die sloeg hij over. Opgewonden als hij was door zijn plotse inval, moest hij goed opletten om geen vuur uit te ademen. Brand veroorzaken zou niet echt bijdragen tot de geheimhouding van zijn missie. Uiteindelijk slaagde hij erin om ongemerkt de keuken te bereiken. Hij opende de kast met potten en pannen en nam er een groot deksel uit. Dit zou goed van pas komen bij zijn plannetje! Half huppelend liep hij de keuken terug uit. Bijna liet hij het grote deksel uit zijn voorpoten glippen, maar na wat jongleerwerk wist hij het uiteindelijk met een zwaai van zijn staart op te vangen en zo te voorkomen dat het met een deksels lawaai op de grond zou kletteren. Met zijn buit stevig tussen zijn voorpoten geklemd, sloop hij terug naar boven. Nu was hij zo opgewonden dat hij de vonkjes die af en toe uit zijn mond naar buiten schoten niet kon tegenhouden, maar hij slaagde er desondanks toch in om nergens brand te stichten.
Eenmaal terug op zijn kamer nam hij een paar stukken touw en maakte hij die met plakband stevig aan het deksel vast, zodat hij het op zijn rug zou kunnen dragen als een afneembaar schild. Na heel wat gewurm en na de lengte van het touw verschillende keren te hebben aangepast, zat het eindelijk relatief comfortabel, al werden zijn vleugels wat geplet.
Opgewonden denderde hij de trap af, de woonkamer binnen. “Mama, papa, kijk! Ik ben een schildpad!” riep hij uit, waarbij hij in zijn opwinding per ongeluk een steekvlam uitbraakte die de rok van mama draak in brand stak.
“Kijk nu wat je doet!” riep ze uit, terwijl ze het vuur uitsloeg met haar grote drakenpoten. “Je moet echt beter opletten, Draco!”
“Het spijt me,” zei hij beteuterd. “Maar kijk dan: ik ben een schildpad!”
Mama draak keek nog steedsd een beetje boos over de in brand gestoken rok, maar papa draak proestte het uit.
“Is dat een deksel uit de keuken?” vroeg hij, net niet dubbelplooiend van het lachen.
“Nee, dat is mijn schildpaddenschild!” riep Draco boos. Ze snapten er niets van. Ze lachten hem zelfs uit! Waarom mocht hij niet gewoon een schildpad zijn?
Kwaad stampte hij naar buiten. Het kon hem niet schelen dat hij onderweg drie brandjes stichtte en dat hij met zijn staart een vaas omver zwiepte. Buiten wilde hij zijn vleugels spreiden om weg te vliegen, maar aangezien ze vast zaten onder zijn schild en hij wel al een aanloop had genomen, rolde hij nogal onelegant door het gras, waardoor hij alleen maar bozer werd. Een vleugel was intussen half losgekomen van onder het schild, maar de andere zat nog vast op zijn rug. Na een paar harde rukken kwam ook die los. Helaas zat het deksel op zijn rug door al dat geruk aan zijn vleugels niet meer goed vast, waardoor het half naar beneden hing. Hij schikte het weer goed op zijn rug, waarna hij nogmaals een aanloop nam en in de lucht sprong. Hij spreidde zijn grote, paars-groene vleugels en vloog omhoog. Hij vloog hoger en hoger en verder en verder. Langzaam maakte zijn boosheid plaats voor euforie. Zijn vleugels daalden langzaam op en neer en Draco blies een vrolijke steekvlam de wijde wereld in. Vliegen was heerlijk!
Maar... Schildpadden konden eigenlijk helemaal niet vliegen, bedacht Draco plots. Hoe moest dat dan? Vuur spuwen zou hij niet missen, dat veroorzaakte enkel ongelukken, zoals daarnet, met de rok van mama draak, of zoals toen hij in het zwembad per ongeluk een groot deel van het water had doen verdampen, waardoor ze plots eerder in een hammam dan in een zwembad leken te zitten. Maar vliegen... Vliegen wilde hij eigenlijk niet missen. Intussen was hij bijna terug thuis. Bezorgd landde hij midden in de weide voor het huis, een steekvlam voor zich uit sproeiend, waardoor de koeien alle kanten opstoven. Die hadden duidelijk nog geen zin om op de barbecue te belanden. Draco merkte dit echter nauwelijks op. Hij was diep in gedachten verzonken.
Papa draak stond hem voor de deur van het huis op te wachten. “Wat scheelt er, knul?” vroeg hij.
“Ik wil zo graag een schildpad zijn,” legde Draco uit, “maar ik wil wel ook kunnen vliegen.”
Papa draak glimlachte. “Maar jongen toch, daarnet vond je nog dat je een schildpad was, met dat schild op je rug!”
“He, dat is waar! Ik ben ook een schildpad, want ik heb een schild!”
“En je hebt net gevlogen,” vulde papa draak behulpzaam aan. “Dus...”
“Dus ik ben een vliegende schildpad!” antwoordde Draco blij. Hij trok het deksel op zijn rug nog even goed aan en spreidde zijn vleugels weer. “Whoehoeoeoe!” joelde hij, waardoor er opnieuw een paar koeien op de vlucht sloegen, beducht voor de - in hun ogen - levende vlammenwerper.
“Hier komt de vliegende schildpad!” Met een uitgelaten looping, waarbij hij bijna zijn geïmproviseerde schild kwijtraakte, verdween het kleine draakje in de richting van het bos. Papa draak keek hem hoofdschuddend na. “Die jongen heeft rare ideeën... Maar ach, als hij maar gelukkig is,” mompelde hij hoofdschuddend, voor hij terug naar binnen liep, een glimlach op zijn gezicht.

woensdag 3 mei 2017

Onzichtbaar verbonden

Een man steekt de straat over. Hij zet grote stappen om te vermijden op de witte strepen van het zebrapad te lopen. Doordat zijn benen zo lang zijn, valt dit niemand op. Hij lijkt gehaast, maar is het niet. Hij wil enkel niet op de witte strepen staan. Zijn vuile schoenen zouden voetafdrukken achterlaten, denkt hij, ook al weet hij dat het onzin is. Toch neemt hij liever geen risico. Want als hij voetsporen nalaat, dan kan iedereen hem volgen. Niet dat iemand dat zou willen. Maar je weet maar nooit. Want als ze hem zouden volgen, dan zouden ze weten waar hij woont, waar hij werkt, waar hij elke dag heen gaat. Dan zouden ze ook weten dat hij niet rechtstreeks van het werk naar huis gaat, maar in plaats daarvan een omweg neemt langs het park. Net als vandaag. Hij heeft geen specifieke reden om die omweg te nemen en ook geen specifieke reden om het te willen verbergen. Toch doet hij het beide. De weg door het park duurt tien minuten langer dan als hij rechtstreeks naar huis zou gaan. Het is niet dat hij niet naar huis wil, integendeel. Hij kan nauwelijks wachten om naar huis te gaan, zijn vrouw te knuffelen en met zijn twee zoontjes te spelen. Elke dag op het werk verlangt hij tot hij weer naar huis kan om bij hen te zijn. Maar eerst moet hij door het park, dat een buffer tussen het werk en thuis vormt. Als hij niet langs het park gaat, dan zal er iets ergs gebeuren. Wat dan precies, dat weet hij niet. Maar dat er iets zal gebeuren, staat vast. Dus gaat hij voor hij naar huis gaat eerst naar het park, al let hij goed op dat niemand dat te weten komt. Het park is zijn veilige haven, hij komt er tot zichzelf, kan er de werkdag achter zich laten. Als de zon schijnt, dan laadt hij zich eraan op door de stralen op zijn gezicht te laten dansen. Als het regent, dan spoelen de druppels hem schoon van het denkbeeldige stof dat het werk op hem achterlaat. Een gratis douche, zonder shampoo weliswaar. Hij had er weleens over gedacht om een fles shampoo mee te nemen, om te kunnen douchen in het park. Maar dat zou te veel opvallen. Dan zou hij misschien een schuimspoor achterlaten en zouden de mensen hem weer kunnen volgen. Dat wil hij niet. Hij wil niet opvallen. Hij is gewoon een zoveelste man op weg van het werk naar huis. Niemand hoeft te weten dat hij eerst een omweg neemt. Dus doucht hij als het regent enkel met water, zonder shampoo. Vandaag regent het niet en is er ook geen zon. Het is saai, guur weer. Toch gaat hij weer eerst naar het park. Pas daarna kan hij veilig naar huis. Dan pas is alles goed. Met grote stappen steekt hij de straat over, richting het park, ervoor oplettend dat hij niet op het wit van het zebrapad stapt.

Een vrouw loopt door het park, met haar boodschappentas in de hand. Gelukkig weegt het niet zo zwaar, daarom koos ze ook voor de route door het park. Die is net iets langer dan als ze gewoon langs de straat naar huis was gewandeld, maar ze houdt van de rust die het park uitstraalt. Ze weet niet waarom, maar ze voelt zich vrolijk vandaag. Ze kijkt om zich heen. Als ze niemand ziet, waagt ze het erop een paar passen te huppelen. En wat dan nog als iemand haar zou zien? Dan kijken ze maar raar. Misschien tovert ze dan wel een glimlach op een gezicht. Toch houdt ze er al na enkele meters mee op. In elk geval heeft ze een lach op haar eigen gezicht getoverd. Haar wangen zijn rood, door de combinatie van kou en plezier, haar haren pieken alle kanten op, haar boodschappentas zwaait heen en weer. Ze voelt zich uitgelaten, zonder specifieke reden, en maakt een pirouette. De reden is ook niet belangrijk, ze wil gewoon van dit gevoel genieten. Ze steekt haar neus in de lucht, strekt haar armen uit en snuift de geur van het groen op. Heerlijk. Ook al is het koud en guur buiten, ze besluit dat ze nog niet naar huis wil. In een impuls loopt ze het park weer uit. Ze ziet een man met grote passen de straat oversteken, op weg naar het park waar zij net vandaan komt. Hij lijkt gehaast te zijn, maar zij is dat niet. Zij heeft alle tijd. Ze slaat af naar de rivier. Hier heeft de wind vrij spel. Ze bokst zich eerst tegen de wind in en na een paar honderd meter draait ze zich om, waarna ze zich met haar armen wijd open laat meevoeren. Zelf hoeft ze nauwelijks iets te doen. Als ze maar in het juiste ritme haar voeten optilt, duwt de wind haar vanzelf vooruit. Lachend, haar haren helemaal in de war, met roodaangelopen wangen en verkleumde vingers die haar boodschappentas vasthouden, gaat ze uiteindelijk toch naar huis.

Een jongen klimt in een boom. Hij wil niet terug naar huis, waar zijn grote zus de baas over hem speelt. Hij heeft er genoeg van! Daarom is hij weggelopen. Niet voor altijd, gewoon voor even. Hij wil alleen zijn. Opdat niemand hem zou kunnen zien, klimt hij in een boom. Niemand kijkt ooit omhoog, zelfs niet die rare vrouw die voorbij huppelt als hij nog maar net tussen de bladeren (en dus uit het zicht) geklommen is. Ze heft haar gezicht wel naar de lucht, maar ze kijkt niet echt. Nee, niemand zou hem hier vinden. Misschien kan hij zelfs blijven zitten tot het helemaal donker is. Dan zullen zijn ouders ook al thuis zijn. Als hij er niet is, dan komt zijn zus in de problemen, dan zal ze moeten vertellen dat ze gemeen tegen hem deed en dat hij daarom weggelopen is. Hun ouders zouden boos worden op haar. Haar verdiende loon. Die gedachte geeft hem een warm gevoel, ondanks de kou buiten. Wraak. Nog steeds verongelijkt klimt hij nog een tak hoger. Hij besluit daar de rest van de avond te blijven zitten. Door de bladeren heen kijkt hij naar beneden. Er zijn niet veel mensen in het park. Na de huppelende vrouw van daarnet, heeft hij niemand meer gezien. Hij rilt. Het is erg koud als je stil zit. Bovendien moet hij zich goed vasthouden, zodat de plotse windvlagen hem niet uit de boom sleuren. Hoe lang zou hij al in de boom zitten? Vast al een tijdje. Zou hij al naar huis gaan? Hij kijkt om zich heen. Niemand te zien. Zouden ze hem straks komen zoeken? Hoe zouden ze weten waar te beginnen? Het is nu toch wel erg koud aan het worden. Bovendien wordt het ook al donker. Straks is het vast niet meer veilig om naar beneden te klimmen, ziet hij niet meer waar hij zijn voeten moet zetten. Als hij een korte eeuwigheid later nog steeds niemand ziet, geeft hij het maar op. Voorzichtig klimt hij uit de boom. Het laatste stuk springt hij naar beneden. Het is al bijna helemaal donker nu. Zijn ouders zullen vast al thuis en doodongerust zijn. Tevreden omdat hij zijn zus in de problemen heeft gebracht, wandelt hij het park uit, naar huis.

Een oude man kijkt toe vanachter het raam op de tweede verdieping. Hij zit comfortabel in zijn zetel, een kopje thee warmt zijn gerimpelde handen, waar de aders doorheen schijnen. Ooit waren die broze handen nog jong en sterk en klom hij ook in bomen. Jaloers kijkt hij toe hoe de jongen, zich onbespied wanend, hoger en hoger klimt en uiteindelijk ergens halverwege het bladerdek blijft zitten. Kon hij zelf ook nog maar in bomen klimmen... Maar de trap naar zijn appartement is al zo’n grote uitdaging voor zijn oude knoken dat hij meestal gewoon binnen blijft. Zelfs zijn boodschappen laat hij leveren. Dus zit hij vaak achter het raam naar de wereld te kijken, een wereld waar hij niet langer deel van uitmaakt. Hij is slechts een toeschouwer geworden. Weemoedig denkt hij terug aan vroeger, toen zijn lichaam nog niet zo koppig “nee” riep bij alles waar zijn geest enthousiast “ja!” op zei, toen hij er nog niet bij stilstond hoe waardevol het is om in een boom te kunnen klimmen als je daar zin in hebt. Nu kan dat niet meer, nu kan hij bijna niets meer. Een traan vol zelfmedelijden rolt langs zijn wang naar beneden. Ooit was hij net als die jongen. Kwam die tijd maar terug. Moeizaam staat hij op. Steunend op zijn looprek legt hij de paar meter naar de keuken af, waar hij nog wat thee zet. Als hij terug op post is voor het raam, is het al te donker geworden om nog veel te zien van de wereld daarbuiten. Toch blijft hij kijken, naar zijn herinneringen die in het raam weerspiegeld worden. Dat is beter dan tv kijken. Na enkele uren valt hij in slaap, de kop thee nog in zijn hand.

zondag 9 april 2017

De eerste dag van de lente

Het was prachtig weer. Lang uitgestrekt was hij in het gras gaan liggen om te genieten van deze eerste zonnestralen van het jaar. De winter had naar zijn gevoel eeuwig geduurd. Hij had zich opgesloten gevoeld, steeds binnen moeten zitten, omdat het buiten te koud was. Maar nu had de zon zich eindelijk verwaardigd om tevoorschijn te komen en om zelfs wat warmte met zich mee te brengen. Ook de madeliefjes in het gras waren hier blij mee. Ze spreidden hun blaadjes om zoveel mogelijk van de zon te kunnen profiteren. De bomen lieten de wind door hun kapsel van nieuwe bladeren ritselen. Waar hun schaduw viel, kreunde het gras van ongenoegen en lieten de bloemen teleurgesteld hun kopjes hangen. Leo had echter een plekje uitgezocht in de zon en uit de wind. Hier kon hij wel een tijdje blijven liggen. Zich geheel ecologisch verantwoord even opladen met zonne-energie.

Toen hij die ochtend wakker werd, had hij het meteen geroken: de lente was in het land! Hij had de vogels hun lied horen fluiten, de roep van de pauw gehoord en nog voor hij door het raam naar buiten keek, had hij geweten dat hij er de zon in volle glorie zou zien. Hij had zijn eten meegenomen naar buiten om het daar op te eten en daarna had hij een rondje over zijn domein gewandeld. Even kijken of het de winter goed was doorgekomen. Hij inspecteerde de bomen en struiken en liep langs de hele omheining om te kijken of er geen gaten in waren ontstaan. Dit bleek niet het geval. Uiteindelijk had hij een lekker plekje in de zon uitgekozen en was hij daar languit neergestreken. Zo. Vandaag zou hij even helemaal niets doen. Hij sloot zijn ogen en liet de zonnestralen zijn huid masseren.

Rumoer haalde hem ruw uit zijn rustige roes. Hij tilde zijn hoofd op. Er liepen mensen langs de omheining. Gelukkig had hij tijdens zijn inspectieronde al gezien dat het onmogelijk voor hen zou zijn om binnen te dringen. Hij hoefde zich dus geen zorgen te maken. Hij vleide zijn hoofd weer neer en probeerde de mensen buiten te sluiten.
Het rumoer bleef echter aanhouden. Er kwamen steeds nieuwe mensen, sommigen bleven zelfs staan en wezen naar hem, hoe onbeleefd! De kinderen kon hij het nog wel vergeven, die wisten niet beter, maar de volwassenen zouden hen er op z’n minst op mogen wijzen! Maar nee, sommige volwassenen deden er zelfs gewoon aan mee, stel je voor! Een vrouw met lang bruin haar en een groene jurk aan stond op en neer te springen. Ze trok aan de mouw van een man met een blauwe trui, die haar lachend aankeek, en ging zo dicht tegen het hek staan dat het leek alsof ze er doorheen wilde vallen. De man sloeg zijn armen om haar heen en knuffelde haar, terwijl zij verrukt naar zijn domein bleef staren. Na een tijdje trok hij haar weg bij het hek, smoorde haar protesten met een kus op haar lippen en duwde haar de andere kant op. Ze keek nog een paar keer verlangend achterom, alsof ze nog steeds hoopte dat het hek op wonderbaarlijke wijze open zou splijten en haar toegang zou verschaffen tot zijn domein.

Leo zuchtte. Dat was het nadeel aan de lente. Mensen leken jaloers te zijn op zijn domein, ze vergaapten zich eraan. De meesten bleven gelukkig wat op afstand, maar sommigen waren echt te erg. Konden ze hem niet gewoon rustig van deze zonnige dag laten genieten? Hem die privacy gunnen? Blijkbaar niet.
Hij was de nieuwsgierige blikken even beu. Eerst moest hij maar wat te eten halen, daarna kon hij misschien een ander plekje in de zon vinden, wat verder weg van de omheining, waar hij geen last zou hebben van de starende blikken.
Hij strekte zijn vier poten uit, schudde met zijn manen en zwiepte zijn staart heen en weer. Statig en met opgeheven hoofd, zoals het de koning van het domein past, liep hij parmantig weg. Hij had maar geluk met zo’n prachtig domein, waar iedereen jaloers op was, bedacht hij. De starende blikken nam hij er dan graag bij.

woensdag 29 maart 2017

De glijbaan

“Maar ik kan toch niet van de glijbaan gaan, daar ben ik echt al veel te oud voor!”
In een flits zag ze haar grootouders voor zich, terwijl ze, allebei de tachtig al voorbij, giebelend van de glijbaan naar beneden kwamen. Om daarna met een guitige twinkeling in hun ogen de reacties van de omstaanders te peilen.
“Nee, geloof me, je kunt echt niet te oud zijn om van de glijbaan te gaan. En ik heb altijd gelijk,” voegde ze er uitdagend aan toe.
“Jaja, het zal wel. Als jij het zegt.”
“Jup, ik zeg het!” Lachend keek ze hem aan. “Kom je nu nog?”
“Al goed, al goed.” Zuchtend, maar inwendig grijnzend, klom hij langs het houten raamwerk naar boven. Hij moest zijn lijf zowat in drieën plooien om tussen twee houten latten te kunnen klauteren, die toegang gaven tot de glijbaan. Nu kon hij door het ronde, grijze gat kijken, waar hij zo dadelijk doorheen zou zoeven. Een bruine kring in het gras markeerde de plek waar hij zou landen.
Eerst moest hij echter nog langs de “bewaker” heen. Een klein meisje, van een jaar of vijf staarde hem brutaal aan. “Wat doe jij hier?” vroeg ze bazig.
Bijna schoot hij in de lach. Dat kleine ding dat zo parmantig de glijbaan bewaakte, bedoelde het echter heel serieus. Ze legde het hoofd in de nek en keek onbevreesd naar hem op. Deze glijbaan was van haar en ze duldde geen indringers. Hier was zij de baas.
“Ik wil graag van de glijbaan gaan,” speelde hij haar spel mee, echter niet in staat om een glimlach te onderdrukken.
“Jij?”
“Ja, ik. Mag dat?” vroeg hij. De sarcastische ondertoon ontging haar. Het vijfjarige geweld zag zichzelf er echt toe in staat om hem, een volwassen man, tegen te houden. Het was gewoonweg vertederend.
“Ben jij niet te oud om van de glijbaan te gaan?” Ze keek hem wantrouwend aan.
“Blijkbaar niet,” antwoordde hij met een zucht. Hij wierp een blik over de houten balustrade heen naar het eigenwijsje dat beneden aan het speeltuig lachend stond toe te kijken, erg blij met zichzelf omdat ze hem in deze situatie had weten te manoeuvreren.

Enkele weken eerder had hij laten vallen hij het echt veel te ver vond gaan om van de glijbaan te gaan. Dat kon toch niet, als volwassen man! Hij wilde best eens gek doen, maar er waren grenzen...
De avond daarop waren ze met enkele vrienden iets gaan drinken. Even bijkletsen, ze hadden elkaar al lang niet gezien. Nadien zou ze voor het eerst met hem meegaan naar zijn huis. Ze hadden afgesproken dat zij zou rijden en dus niet zou drinken. Hij zou wel voor gps spelen: “Over honderd meter, sla links af”, had hij zijn computerstem alvast geoefend.
Hoe meer de avond vorderde, hoe losser de sfeer werd. De drank vloeide rijkelijk en de coördinatie begon bij sommigen al wat te wensen over te laten. Zo slaagde Sven erin om het schaaltje met zongedroogde tomaatjes over haar heen te gooien door naast zijn Duvel te grijpen. Hij was rechtgestaan om haar te helpen met opruimen en toen hij haar daarna op zijn schoot wilde trekken, deed hij dat zo onhandig dat de stoel - die, moest ze toegeven, al redelijk wankel was - instortte, waardoor ze allebei op de grond belandden.
Lachend had ze hem gevraagd of hij straks de weg naar zijn eigen huis nog wel zou weten te vinden. Hij had haar zelfverzekerd aangekeken: “Natuurlijk, het is toch mijn eigen huis! Dat zou wel heel erg zijn! Als ik dat niet meer weet, dan... dan... Dan mag je... Ehm...” Aan zijn gepijnigde blik te zien deed hij een poging om na te denken.
Ze greep haar kans. “Ik heb wel een idee: als je de weg niet meer weet, dan ga jij van de glijbaan af!”
Hij knipperde even met zijn ogen en toen begon hij te lachen. “Ok, deal! Maar dit gaat niet gebeuren, hé, dat weet je toch?”
“We zullen zien...” Triomf flikkerde in haar ogen. Dit zou leuk worden.
Twee uur en vijf biertjes later hielp ze hem in haar auto. Ze hield de deur langs de passagierskant open en stond hem toe om op haar te steunen terwijl hij instapte. Eenmaal hij zat, deed ze de deur dicht en liep ze zelf om de auto heen, oplettend dat ze met haar hakken niet in de gleuven tussen de kasseien bleef haken. In het licht van de lantaarnpaal zag ze hoe hij een poging deed om de gordel om te doen. Ze stapte in.
“Dus.”
“Stomme... gordel...” gromde hij. Ze boog zich over hem heen, nam het stuk gordel waar hij mee aan het vechten was van hem over en klikte hem vast.
“Dus,” herhaalde ze. “Waar moet ik heen rijden?”
“Ga maar gewoon rechtdoor. En dan de tweede, nee de derde links.”
“Wat is het nu?” vroeg ze pestend, “de tweede of de derde?”
“De derde... Denk ik.”
Ze schoot in de lach. “Je weet wat we afgesproken hebben hé, als je de weg niet weet, dan ga je van de glijbaan.”
“Ik weet het echt wel!” riep hij verontwaardigd uit.
“Uhuh...”
Ze startte de motor, schakelde naar eerste en reed de parkeerplek uit. Het was stil op straat, iedereen sliep al. Enkele lantaarnpalen verlichtten het kasseistraatje. Een dronken man stak waggelend de straat over. Een kat sprong op de vensterbank van het huis met de groene deuren. Bij het derde kruispunt sloeg ze linksaf. De auto stopte met hobbelen, deze straat was van asfalt. Gelukkig maar, want haar menselijke gps zag er wat groenig uit. Hier stonden er echter geen lantaarnpalen meer, dus het enige licht in de omgeving kwam van haar koplampen. Ze reden over een klein baantje tussen de velden, met langs weerszijden een greppel. Af en toe was er een scherpe bocht, dus ze moest goed opletten om niet naast de weg te belanden.
“Weet je zeker dat we goed rijden?” vroeg ze pesterig. Hij gromde wat. De wereld bestond uit maïshalmen die voorbijzoefden. Uiteindelijk kwamen ze op een grote baan uit. Het felle licht van de straatlantaarns en de uithangborden stond in sterk contrast met het donkere landweggetje waar ze net overheen waren gereden.
“Waarheen?” vroeg ze.
“Links,” mompelde hij. “Nee wacht!” Hij ging wat rechter gaan zitten en bekeek de straat aandachtig. Groene, paarse en gele lichten liepen door elkaar. De bakker met de veel te grote witte muts, die als uithangbord voor de bakkerij diende, zwaaide alle kanten op. De grote bomen schuin naast de bakkerij wuifden, ze wezen naar rechts.
“Rechts,” zei hij daarom maar.
Ze reed naar rechts. De witte muts staarde hem na. Had hij toch de verkeerde kant gekozen? Hij wist het eigenlijk echt niet meer. Ingespannen tuurde hij naar de huizen, op zoek naar een herkenningspunt. Daar, dat gebouw met de grote ramen en de rare koepel op het dak, dat herkende hij. “Hier naar links,” zei hij. “Oeps, ik bedoel: sla hier links af,” deze keer gebruikte hij zijn ingeoefende computerstem. Hij voelde zich al wat zelfzekerder.
“Weet je zeker dat deze gps de weg weet?” vroeg ze plagend.
Hij snoof. De weg naar zijn eigen huis moest hij toch echt wel kennen. Alleen zag alles er zo wazig uit. Huizen en bomen speelden haasje over en wisselden van plaats.
Een halfuur later waren ze nog steeds rondjes aan het rijden. “Hoe zat het nu toch weer... Hier links!” riep hij plotseling uit, toen ze langs een huis reden met een reclamebord aan de muur. De te grote pot chocopasta lachte hem toe. Ze reed naar links. “Nee, oeps, ik bedoelde eigenlijk rechts.”
Lachend keerde ze de auto. “Huh waar zijn we nu?”
“Ok, zo is het genoeg geweest.” Ze zette de auto langs de kant, midden op de stoep. Op dit late uur was er toch niemand anders op straat. Ze reikte naar het handschoenkastje en haalde de gps eruit.
“Nee, geen gps, ik weet het best zijn!”
“Jaja, vast, daarom zijn we al een halfuur bezig over een ritje van vijf minuten. Het is mooi geweest, ik wil naar bed. En jij gaat binnenkort van de glijbaan!”
Hij gromde, maar liet haar toe om de gps in te stellen op zijn adres. Drie minuten later waren ze er.
De volgende ochtend had hij nog geprobeerd er zich uit te praten door te beweren dat hij niet veel meer wist van wat er de vorige avond gebeurd was. Maar toen ze hem haarfijn begon uit te leggen hoe alles verlopen was, moest hij wel toegeven. “Argh, jij je zin, ik ga wel van de glijbaan.” Hij zuchtte diep.

“Hm.” Het kind keek hem onderzoekend aan. Hij beantwoordde haar blik. Twee paardenstaartjes wiebelden heen en weer, doordat ze haar hoofd met een rukje schuin had getrokken. De sproetjes op haar wangen accentueerden het blozende gezichtje, dat zo onbevreesd naar hem opkeek, helemaal overtuigd van haar recht om hem al dan niet de toegang tot de glijbaan te ontzeggen.
“Goed dan!” Gracieus liet ze hem erlangs, zodat hij zich in het grijze gat kon storten.
Met wapperende haren kwam hij een tel later beneden aan.
“Was dat nu zo erg?”
“Vreselijk!” antwoordde hij knipogend en met een grote grijns op zijn gezicht.

zondag 19 maart 2017

Kampvuur

Vuurvliegjes flitsen aan en uit. Hout knettert. Ze houdt haar blik strak op de vlammen gericht. Gehypnotiseerd. Herinneringen gaan in rook op, zo lijkt het wel. Alles voorbij. Een hoofdstuk afgesloten.
De vlammen tonen haar een groepje mensen, bijeen om 2 uur ‘s nachts. Een tafel die bezaaid ligt met m&m’s en flessen cola. Papieren die al te verkreukeld zijn om nog in een map te passen. De koffer met verkleedkledij staat open. Een frisbee hunkert naar aandacht. Die zal hij krijgen, nog even geduld. Lachend verplaatst de groep zich naar buiten. De frisbee mag mee. Het grasplein wordt ingenomen.
De vlam flikkert. Een andere plaats, een ander moment. De slagroom vliegt door de lucht en wordt opgevangen door een gretige mond. Enkele klodders vliegen de verkeerde richting uit. Gelach, gejoel. “Mijn beurt!”
Het vuur knettert en een houtblok verschuift. Zandkastelen gemaakt uit modder, opgevist uit een ondiepe rivier. Verfwezentjes die eerst in dezelfde rivier sprongen om de douches niet te verstoppen. Regenboogrivier.
Opnieuw midden in de nacht. Liggend op de grond onder een tafel. Te hard aan het lachen om recht te kunnen staan. Vereenzelvigd met het niveau van de humor.
Duitsland. Verkleed als dolfijn de stad intrekken. Een toneeltje opvoeren voor Duitsers die er toch niets van verstaan. Tot blijkt dat er ook heel veel Nederlanders onder de aanwezigen zijn.
Nederland. Dansen, zingen, improviseren. Niet alleen je groep kinderen, maar ook een paar honderd Nederlanders vinden het plots aangenamer wachten op de zeehondenshow.
Van een negen meter hoge rots in het water springen. Heerlijke verfrissing.
Van het dak van de boot springen. Watercantus langs het water. Gotcha met waterpistolen.
‘s Nachts over elkaar struikelen in de slaapzaal. Bijna stikkend van het lachen naar buiten rennen om de kinderen niet wakker te maken.
Met druipende kleren uit het zwembad zompen. “Het was een plaatselijke regenbui, hebben jullie dat echt niet gezien?” Ongelovige kindergezichtjes die het misschien toch beginnen te geloven.
Op de foto met een echte, opgezette dinosaurus. Heus waar! Nog meer ongelovige gezichten.

Een hand onder haar kin haalt haar blik weg van het vuur. “Gaat het wel met je?”
“Ja hoort,” antwoordt ze met een glimlach. Ze kijkt op, naar het wiegje van de pasgeborene. De volgende generatie. Het volgende hoofdstuk prachtige herinneringen.

vrijdag 17 maart 2017

Planeet Epsilon

Op een dag was ik weer in de rivier aan het zwemmen en met anderen aan het ravotten, toen ik plots een silhouet zag. Normaalgezien is daar niets raars aan, maar dit was de silhouet van een volwassene! Ik hield stil en gaf Thaisa zo de kans om me kopje onder te duwen. Toen ik proestend weer bovenkwam, keek ik in haar lachende gezicht.
Ietwat nijdig zei ik: “Ik dacht dat hier geen volwassenen waren?”
”Dat is ook zo,”antwoordde ze.
“En zij dan?”Verbaasd keek Thaisa om.
“Dat is toch een volwassene?”
“Hoe is die hier gekomen?”
“Tja, net als wij allemaal zeker?”
“Maar…”
“In elk geval kan ze hier niet blijven,” zei ik beslist. “Ik zal de anderen waarschuwen dat er een volwassene aangekomen is. We zullen ons moeten voorbereiden.”

“Wacht!” riep ze nog, maar ik was al weg naar de anderen en had geen zin om haar argumenten over liefdadigheid weer te moeten aanhoren. Het waren altijd de volwassenen die het verprutsten. Precies daarom was ik de aarde ontvlucht. Het is ook altijd hetzelfde: je mag dit niet, je zou je kunnen vuil maken, pas op, anders val je nog… Ik heb er genoeg van! Altijd dat gezeur… Hier had je er tenminste geen last van. Maar je zou zien: nu er hier een volwassene was aangekomen, zou het gedaan zijn met de pret. Alles zou weer georganiseerd moeten verlopen en binnen de kortste keren zou het hier even erg zijn als op aarde. Maar daar zou ik een stokje voor steken!
Toen ik bijna bij de anderen was, begon ik met mijn armen te zwaaien en te roepen. Ze keken nogal verbaasd op. Ik zette een sprintje in en deed toen hijgend het verhaal. Sommigen reageerden net als Thaisa: “Een volwassene? Hier? Maar hoe?”
Anderen, die hier net als ik nog niet zo heel lang waren, reageerden gefrustreerd.
“Dat meen je toch niet?”riep een meisje dat Elke heette uit. “Niet hier! Kon die nu niet gewoon op aarde blijven, waar ze hoort?”
“Tja, blijkbaar niet.”
Toen kreeg ik een idee. Er verscheen een ondeugende blik in mijn ogen.
“Wat als we haar nu eens duidelijk maken dat we haar hier niet willen?”
“Ja! Ja! Dat is een goed idee! Dat doen we! Ze moet terug naar waar ze vandaan komt!”
Anderen, waaronder Peter, een goede vriend van Thaisa, reageerden wat minder enthousiast.
“Als die hier kon geraken…” begon hij.
Maar hij werd ruw in rede gevallen.
“No way! Vergeet het! Geen volwassenen op Epsilon!”
Peter haalde zijn schouders op en samen met een groepje vrienden liep hij weg. In de richting waar ik vandaan kwam, waar ik die vrouw had gezien en Thaisa had achtergelaten. Thaisa! Waar was ze? Ik keek over mijn schouder, en zag haar met de vrouw praten. “Vuile verraadster,” dacht ik. Als het zo zat, kon ik het ook wel af zonder haar. Ik was haar tenslotte niets meer verschuldigd. Zij had mijn been genezen en ik had haar van de verdrinking gered. Huiverend dacht ik eraan terug.

Ik zwom in de rivier tussen de vissen door. Thaisa zat op de rug van een dolfijn te roepen en te zwaaien. Ik zwaaide vrolijk terug en dook onder water. Toen ik weer boven kwam, was ze nergens meer te zien. Ik keek om me heen. Waar was ze? Er ontstond een opstootje. Er had zich een groepje gevormd aan de steen vlak voor de waterval. Verder dan die steen ging je beter niet, want dan stond je een val van meer dan zestig meter te wachten. Vlug zwom ik erheen. Wat was er gebeurd? Toch niets met Thaisa? Ongerust versnelde ik mijn slagen. Toen ik aankwam, zag ik dat iedereen in paniek naar beneden tuurde.
“Wat is er gebeurt?”vroeg ik aan een jongen die vlakbij stond.
“Thaisa… Ze zat op de rug van een dolfijn. Die zette haar hier op de steen af en zwom even weg, ik weet niet waarom, misschien om de andere dolfijnen te halen? En toen…”
“Ja? Wat is er gebeurd?” Mijn stem klonk gejaagd.
“Ik zag haar op de rand van de steen staan. Ze keek naar beneden, naar de diepte van de waterval. Ik riep dat ze niet zo dicht bij de waterval mocht komen, dat ze erin zou vallen. Juist op dat moment gleed ze uit, waarschijnlijk was de steen glad geworden door het water. Ze is in de waterval gevallen.”
Ik kon zien dat het huilen hem nader stond dan het lachen.
“Rustig maar, het is niet jouw fout. Het komt allemaal wel goed.”
Maar ze was nog steeds niet boven water gekomen. Ik aarzelde. Zou ik durven? Het was wel heel hoog om haar achterna te springen… Maar zij had mijn been ook genezen. Dat gaf de doorslag en maakte dat ik zonder verder aarzelen me naar voor drong en naar beneden sprong. Achter me hoorde ik naar adem snakken. Toen viel ik. En ik bleef vallen. Tot ik met een grote plons in het water terechtkwam. Spartelend probeerde ik naar het oppervlak te zwemmen, maar ik was totaal gedesoriënteerd. Ik wist niet meer wat boven en onder was en ik sloeg in paniek. Thaisa, je vroeg me of ik van iemand houd en ik gaf een heel stom antwoord. “Maar ik houd van je, Thaisa, ik houd van je!” Ik riep het uit en kreeg daardoor een grote slok water binnen. Op dat moment zag ik licht naast me. De oppervlakte! Ik zwom erheen. Boven water gekomen hapte ik naar adem. Waar was Thaisa? Ik keek om me heen. Toen zag ik haar eindelijk. Ze lag half op de oever, de helft van haar romp en haar hoofd lagen nog in het water. Ik zwom erheen en met mijn laatste krachten sleepte ik haar helemaal op het droge. Ik legde haar op haar zij en keek toen in paniek naar boven.
“Wat moet ik doen?” schreeuwde ik schor, “ik ken geen EHBO!”
Gelukkig begon ze op dat moment te hoesten.
“Ja, ja, goed, hoest maar. Ik ben bij je.”
Ze deed haar ogen open en keek me aan.
“Je hebt me gered,” zei ze zachtjes. Lachend en huilend tegelijk door de doorstane spanning keek ik haar aan.
“Ja, dat is zo,” zei ik.
We staan dus quitte. En ze moest niet denken dat zij altijd gelijk heeft. Wacht maar eens af!

“Wacht!” riep ik nog, maar hij deed alsof hij het niet hoorde. Geërgerd schudde ik mijn hoofd. Hij was echt veel te vroeg naar Epsilon gekomen. “Nu ja, hij doet maar, ik kan hem toch niet tegenhouden. Ik hoop alleen dat hij niet iets echt stoms doet.”
Toen liep ik op de volwassene af.
“Welkom op Epsilon!” riep ik, toen ik slechts tien meter meer van haar verwijderd was.
“Dank je,”zei de vrouw. Ze had een aangename, warme stem. “Dus dit is Epsilon.” Waarderend keek ze om haar heen. “Wat is het hier prachtig! Ik denk niet dat ik het moeilijk zal vinden om me hier thuis te leren voelen.”
“Als mijn vermoedens uitkomen, zal je het nog lastiger krijgen dan je denkt,” dacht ik, maar ik sprak het niet uit.
“Ik hoop het. Mijn naam is Thaisa, die heb ik zelf gekozen toen ik hier aankwam. Net als jij mag doen, maar er steekt geen haast achter. Kom mee, dan stel ik je voor aan de anderen.”
“Zelf gekozen? Ik denk dat ik het al weet dan. Wat dacht je van Maïté?”
“Klinkt goed. Weet je het zeker?”
“Ja, heel zeker.”
“Welkom op Epsilon, Maïté.” En ik nam haar mee naar de rivier. Halverwege zag ik Peter met enkele vrienden.
“Wat is er?” vroeg ik hem.
“Thijs. Hij wil haar hier niet. Ze krijgt van hem niet eens een kans. Hij is al aan het rekruteren en plannetjes aan het smeden om haar hier weg te krijgen. Oh ja, sorry, wat onbeleefd van me. Ik ben Peter. Welkom op Epsilon.”
“Hallo. Ik ben Maïté.” Hij kijkt me vragend aan.
“Tja, Maïté is er vroeg bij om haar naam te kiezen,” zeg ik hem.
“Oh. Bij de meeste duurt dat wel even. Ze willen hier eerst even wennen.”
“Ik heb altijd al Maïté willen heten, de keuze was niet moeilijk.”
“Natuurlijk, geen probleem. Welkom, Maïté.”
“Dank je. Wie is Thijs? En waarom mag ik hier niet zijn?”
Ik zucht geërgerd. Dank je wel, Thijs, denk ik, je geeft haar niet eens een kans. En ze lijkt me zo’n sympathiek iemand te zijn.
“Thijs is hier nog niet zo lang,” antwoord ik. “Hij moet nog veel leren. Je bent welkom.” Samen gingen we naar de anderen. Toen ze ons zagen afkomen, liep Thijs weg met enkele anderen. Bende stijfkoppen!
De anderen begroetten Maïté zoals het hoort. Allemaal riepen ze haar een hartelijk welkom toe. Ik kon zien dat ze blij was. Ze had er nogal ongerust uitgezien sedert Peter had verteld over Thijs. Waarschijnlijk was ze bang dat ze hier niet aanvaard zou worden. Als het aan Thijs lag, was dat waarschijnlijk ook zo, maar hij zou er zich bij neer moeten leggen. Net als de anderen. Maïté was naar Epsilon gekomen en iedereen die hier was aangeland, hadden we gastvrij ontvangen. Dit zou nu niet anders zijn omdat het om een volwassene ging. Wie weet was Maïté niet zoals de anderen die de boel hadden verziekt op aarde. Hoe zou ze hier anders zijn geraakt?
Na de eerste kennismaking namen we haar mee naar de rivier. Ze was verrukt over de pracht van de natuur en de vele verschillende kleuren van de vissen. We keken het lachend aan en genoten zelf ook met volle teugen. Thijs was nergens te zien.
“Jammer voor hem, eigen schuld, nu mist hij alle pret.” Zonder het te beseffen had ik hardop gesproken. Peter keek me vragend aan.
“Nee, niets, ik was gewoon luidop aan het denken,” zei ik. Hij haalde even zijn schouders op en verdween toen weer onder water.

Een paar dagen verstreken. Thijs en zijn vrienden hadden geen teken van leven meer gegeven. Ik begon lichtelijk ongerust te worden. Er was toch niets gebeurd? Ik nam me voor hem de volgende ochtend te gaan zoeken, als we nog steeds niets van hem gehoord zouden hebben.
Maar het bleek niet nodig te zijn. De volgende ochtend liep ik samen met Maïté naar de rivier om water te halen. In het zand stond volgend bericht:
                                                                       
Ga terug naar waar je vandaan komt!
We willen je hier niet!!

Het was duidelijk voor wie het bericht bedoeld was. En het was even duidelijk wie het had neergeschreven. Thijs zat hier achter. Ik was woedend! Hij had Maïté niet eens een kans gegeven! Ze was niet als andere volwassenen. Ze hoorde hier. Ze had het kind in zichzelf gevonden en leefde ernaar. Zo was ze op Epsilon aangekomen

Haar probleem op aarde was dat ze totaal geen verantwoordelijkheidsgevoel had. Ze kon gewoon nooit volwassen handelen. Als ze zin had om te gaan zwemmen, ging ze gewoon. Of het nu dag was, of midden in de nacht, maakte haar niets uit. Ze ging gewoon. Of als ze ergens was, op een feest bijvoorbeeld en ze amuseerde zich niet, vertrok ze gewoon. Ze trok zich niets aan van wat anderen dachten en vond dit juist haar sterkste punt. Het spreekt natuurlijk voor zich dat ze niet zo kon blijven doorgaan. De mensen uit haar omgeving stoorden zich er enorm aan en op een dag barstte de bom.
Ze had haar vriendin beloofd om mee te gaan naar een receptie van het werk. Maar ze was het vergeten (eigenlijk had ze er ook niet zoveel zin in gehad) en was weer eens gaan zwemmen. Ze hield van het water. Natuurlijk was haar vriendin heel boos. Ze had compleet voor gek gestaan op die receptie. Vastbesloten om Maïté eens goed duidelijk te maken waar het op stond, ging ze naar haar huis. Ze belde aan en toen Maïté opendeed, stampte ze zonder boe of ba naar binnen. Toen Maïté van haar eerste verbazing bekomen was, deed ze de deur dicht en volgde haar vriendin. Die stond in de woonkamer te schuimbekken van woede.
“Wat scheelt er?”
“Wat er scheelt? Dat zal ik je eens vertellen!” Ze struikelde over haar woorden door rancune. “Dat jij mij altijd laat zitten en altijd je zin maar doet en… Ik ben het kots-, kots-, kotsbeu! In het vervolg trek je je plan maar!” Dit gezegd zijnde stampte ze weer naar buiten en sloeg de deur achter zich dicht. Totaal verbijsterd stond Maïté in de woonkamer. Dit had ze nog nooit meegemaakt. Jammer genoeg voor haar was het wel de eerste keer, maar zeker niet de laatste.
Regelmatig vergat ze een afspraak na te komen, of had ze er gewoon geen zin in, ging ze liever wandelen of fietsen. Ze verloor al haar vrienden. Ze begreep het niet: waarom kon ze niet gewoon doen waar ze zin in had? Toen hoorde ze over Epsilon, de planeet waar je kon doen wat je wilde, waar er enkel liefde heerste en geen haat of racisme bestond, de plaats waar er geen verplichtingen waren en je volledig vrij was.

Maar van dit alles wist Thijs niets. Hij had het niet willen weten. Hij had meteen geoordeeld over haar, zonder haar te kennen of zelfs maar even met haar te praten. En nu deed hij dit… Ze vreesde dat het hier niet bij zou blijven. Ze moest met hem praten.
“Weet je wel wat je doet? Waar was dat voor nodig?”
“Het was nodig om haar hier weg te krijgen! Een volwassene! Die hoort hier niet!” Hij schreeuwde. Ik begon ook te roepen: “Nee, Thijs, jij bent het die hier niet hoort!” Verbaasd zweeg hij.
“Wat?”sputterde hij. “Ik hoor hier niet?”
“Nee,” antwoordde ik iets kalmer, “je moet begrijpen dat volwassen zijn niets met leeftijd te maken heeft. Het is een manier van denken. Wat denk je dat je aan het doen bent? Doet dat je niet heel erg aan iets denken?”
“Ik…”
“Aan de aarde misschien?”
Toen zweeg hij. “Ja, eigenlijk wel,” fluisterde hij ongelukkig.
Hij had het eindelijk begrepen.

Herfstkledij: een mythe


Op een dag riepen Hera, de godin van het huwelijk en het gezin, en Demeter, de godin van de landbouw en het graan, hun goddelijke modeontwerper Bikkembergos bij zich. Na een paar duizend jaar wilden ze wel eens een nieuwe garderobe. Hera, de echtgenote van Zeus, had ook nog een speciaal verzoek: ze wou een geheel nieuw feestgewaad om te dragen op haar 5000ste huwelijksverjaardag.
“Hm,” was de reactie van Bikkembergos, “ en welke stijl hadden de dames in gedachten? Iets traditioneels of toch maar modern? Punk kan natuurlijk ook altijd. Ook gothic is een optie, of hadden jullie liever iets kleurrijks, in plaats van al dat zwart? Je zegt het maar!”
“Maakt mij niet uit,” sprak Demeter, “als het maar natuurlijk oogt.”
“Wee je gebeente als je mijn lijn beledigt!” voegde Hera er nog gauw aan toe.
Daar kon de modeontwerper het mee doen.

Hij zuchtte en dacht lang na, want hij wist als geen ander dat hij vooral Hera beter niet voor het hoofd kon stoten. Ze kon streng straffen. Heel streng. Soms onredelijk streng, maar dat zei je beter niet hardop. Eigenlijk was het al gevaarlijk om dat alleen maar te denken.
Uiteindelijk dacht hij er iets op gevonden te hebben. Demeter wou iets natuurlijks, wel, hij zou zijn inspiratie uit de natuur halen. En daarmee kon hij ook Hera paaien, want zij was de kleindochter van Gaia, Moeder Natuur. Perfect, hij had het gevonden. Nu kon hij aan de slag.

Eerst liet hij de bladeren aan de bomen verkleuren, in verschillende kleuren, zodat de godinnen konden kiezen. Natuurlijk was hij niet zo dom om ook de naalden van naaldbomen te laten verkleuren. De godinnen zouden erg vertoornd zijn, omdat hij hen met naalden had willen kleden.
Nadat hij de bladeren verkleurd had, mochten de godinnen de kleuren voor hun gewaad kiezen. Demeter koos de gele bladeren, Hera besloot, na lang te hebben getwijfeld, een kleed te dragen dat rood was, met hier en daar een bruin of geel blad.
Toen kon Bikkembergos pas echt beginnen. Hij liet de bladeren van de bomen dwarrelen en ving de mooiste exemplaren op om te verwerken in de kledij van de godinnen. De rest viel op de grond en bleef daar liggen tot de wind hen wegblies.

Toen hij de gewaden afgewerkt had, liet hij beide godinnen komen om te passen. Tot zijn grote opluchting paste alles perfect en waren beide godinnen zeer tevreden. Hera was erg blij omdat de andere godinnen op haar feest de ogen uit hun hoofd zouden kijken en zouden stikken van jaloezie. Daarom gaf ze hem de opdracht voortaan ieder jaar een nieuw kleed voor haar te maken met de bladeren, maar wel telkens met een ander patroon.
Dit maakte Bikkembergos wel lichtjes ongerust, want hij had heel veel bladeren nodig gehad, zoveel dat er bijna geen meer aan de bomen hingen. Hoe kon hij dan ieder jaar een gewaad maken?
Aarzelend legde hij zijn probleem voor aan de godinnen. Demeter begreep het en verschafte hem een oplossing: “Ik zou het maar moeilijk kunnen aanzien als de bomen het hele jaar door geen bladeren zouden hebben en bovendien ben ook ik erg tevreden over je werk. Nu ben ik echter niet in de stemming, want mijn dochter Persephone is zopas ontvoerd. Ze komt pas over enkele maanden terug. Zolang verblijft ze in de onderwereld, bij Hades.” Nu kwamen er tranen in haar ogen. “Ach, ik mis haar zo! Maar,” en nu klonk haar stem al vaster en strijdlustiger, “als ze terugkomt, dan zal ik opnieuw bladeren aan de bomen hangen. Iedereen zal weten dat mijn lieve Persephone terug is en iedereen zal meevieren, tot de bomen toe. Als de huwelijksverjaardag van Hera en Zeus er dan weer aankomt, kan je opnieuw de bladeren aan de bomen gebruiken.”
Nu sprak ook Hera: “Dit is heel nobel van je, Demeter, en ik steun je in je verdriet. Bikkembergos, ik ben heel tevreden over je en daarom mag je me om een gunst vragen.”
Bikkembergos hield geschrokken zijn adem in. Een gunst! Hij mocht Hera om een gunst vragen! Dit was een eer die maar weinigen te beurt viel.
“Wel, euh,” stamelde hij, “ik zou graag hebben dat u de kledij naar mij vernoemt.” En zo gebeurde…